Het Hollands Arcadië van Haanstra

Regisseur Bert Haanstra was gefascineerd door Nederland. Het symposium ‘Haanstra en Holland’ onderzocht welk beeld van Nederland Haanstra in zijn films geeft.

„Bert Haanstra was een positivo”, concludeerde filmhistoricus Hans Schoots op het door hem georganiseerde symposium Haanstra in Holland. Onderzocht werd de gedachte dat Haanstra (1916-1997) bij uitstek de Nederlandse tijdgeest documenteerde in zijn speelfilms en documentaires. Haanstra filmde graag zijn landgenoten, die zich op hun beurt massaal in zijn werk herkenden. 2,6 miljoen mensen lachten in 1958 tranen met tuiten om de strijd tussen twee blaaskapellen in het mede door Jan Blokker geschreven Fanfare, . De documentaire Alleman (1963), waarin Haanstra met verborgen camera de eigenaardigheden van de Nederlander vastlegde, haalde 1,6 miljoen bezoekers.

Waren zijn films inderdaad de spiegel van de tijd waarin ze gemaakt werden? Of idealiseerde Haanstra de Nederlandse samenleving? Vier sprekers bogen zich gisteren in het Filmmuseum over deze kwesties. Ze illustreerden hun betoog met enkele korte films en fragmenten uit Alleman. Kwesties die weer helemaal actueel zijn, sinds er weer vol vuur gedebatteerd wordt over wat onze nationale identiteit precies is. Gekscherend stelde een van de sprekers voor om Alleman te gebruiken in de inburgeringcursus: immigranten zouden er een uitstekend beeld van de Nederlandse volksaard uit kunnen afleiden.

Al snel werd een van de grondthema’s geformuleerd: het idee dat de films van Haanstra een onmogelijke spagaat vormen. Ze documenteren zowel de modernisering tijdens de wederopbouwjaren als nostalgie naar verdwenen tradities. Zoals de visserscultuur in dorpen als Marken, Volendam en Urk; slachtoffer van diezelfde inpoldering. Een film als En de zee was niet meer (1954), over de afsluiting van de Zuiderzee en het effect hiervan op de vissersdorpjes, werd door antropoloog Rob van Ginkel dan ook gekenschetst als een film over een verloren paradijs, waarin een geïdealiseerde volksaard werd vastgelegd met de vissers als nobele wilden en de dorpjes als Arcadië. Aan het eind van de documentaire toont Haanstra wat de inpoldering heeft opgeleverd: keurige nieuwe dorpen waar kinderen fluitend naar school gaan. Het vooruitgangsgeloof van Haanstra kreeg toch de overhand. Een weinig overtuigende draai aan een film die verder vol is van nostalgie naar authentieke volkscultuur.

Het geloof in een betere wereld legde Haanstra vast in Delta Phase I (1962). De gevolgen voor de vissers worden aangestipt, maar Haanstra heeft vooral oog voor de heroïsche aspecten van de gecompliceerde onderneming, die precies in beeld wordt gebracht. Wat is nou de echte Haanstra? De traditionalist, die in de jaren zestig als oubollig werd afgeserveerd? Of de modernist, die met humanisme zijn medemens vastlegt en gelooft dat alles goed komt? De discussie kan volgend jaar worden voortgezet, als het Nederlands Film Festival en een aantal filmhuizen een retrospectief van Haanstra’s werk organiseren.