Het duivelswerk van de Europese Unie

Het is ’s morgens half zeven Roemeense tijd, half zes Hongaarse. Ik sta achterin de tuin van een grote boerderij in het dorp Miklósvár in een honderd procent door Hongaren bewoonde streek van Transsylvanië. Naast mij is een uit donkere planken opgetrokken schuur, met op de nok een leeg ooievaarsnest. Het grasland helt naar beneden. Langs de beek staat een rij geknotte wilgen. Uit sommige schoorstenen van de middeleeuwse boerderijen die me omringen, kringelt rook omhoog. De geur van houtvuur. In de verte, boven de oneffen pannendaken uitrijzend, zijn vaalbruine heuvels zichtbaar.

Ik word overmand door een impuls: hier wil ik blijven. Ik ga hier wonen, in dit van god verlaten dorp, in zo’n boerderij met onregelmatig gepleisterde muren en houten balken plafond, een galerij met pilaren en een weilandje met vruchtenbomen. Het is allemaal van zo’n pure schoonheid en verleidelijke onschuld dat ik helemaal verkocht ben. Een vergeten paradijs. Ik weet dat het geen serieus plan is. Wacht maar tot de winter komt en je oren van je hoofd vriezen, de zandwegen in kniediepe modderpoelen veranderen en de buurman alleen nog tegen een woekerprijs een van zijn varkens wil verkopen. Daarbij: de kans dat ik hier een soulmate vind met wie ik over John Fante kan praten of gintonics kan drinken is miniem, om over de vrouwen nog te zwijgen. Toch is het verlangen er, in de gouden gloed van de ochtendzon.

Ik neem aan dat ik niet de enige ben die zich door romantiek laat meeslepen, al is het maar voor enkele seconden. Terwijl ik met mijn voeten in het natte gras sta, en de eerste kippen hoor kakelen, vraag ik me af wat het is in zo’n boerendorp dat de fantasie op hol doet slaan. Is het de onschuld of tenminste hoe wij ons de onschuld voorstellen? Want van de dagelijkse werkelijkheid weet ik niets: wie wie onderdrukt, misbruikt of verraadt. Alles wat ik weet is wat mijn oog ziet: de door magere paarden getrokken karren op onverharde wegen. De witgepleisterde boerderijen, de grote houten poorten, de oude kerken omgeven door cirkelvormige vestingmuren. De kleine percelen geploegd land, de uitgestrekte verwilderde velden. De zigeunermannen met de grote zwarte hoeden, de schaapherders met hoge zwarte mutsen en lange stokken waar ze op leunen.

Buiten de uiterlijke onbedorvenheid, de stilte, de afwezigheid van haast, de heldere ijzige lucht, is het boven alles de menselijke maat (van de huizen, de vensters, de wegen, de paadjes, de muren, de grillig gevormde akkers, de groentetuinen, de lange paardenkarren) die het zo onweerstaanbaar aantrekkelijk maakt. De huizen zijn tegen elkaar aangegroeid, met hier nog een stookruimte, daar nog een houtschuur, een rek om maïs te drogen, een gepleisterde stal, een put, een muurtje. Zo’n organisch gegroeide omgeving waar geen rechte lijn te bekennen is, is een verademing. Het zijn die tegen elkaar geplakte partikels, als zwaluwnesten, die de Transsylvaanse dorpen middeleeuws maken.

Ik ben een groot voorstander van oostwaartse uitbreiding van de Europese Unie (omdat het hopelijk vrede en stabiliteit brengt, omdat een economisch sterk Europa goed voor ons is en ons de mogelijkheid biedt seculier, anti-autoritair gedachtegoed te verspreiden en omdat Europa heel hard jonge mensen nodig heeft en werkkrachten en je die beter uit Roemenië en de Oekraïne kunt halen dan uit Marokko en Algerije, omdat dat op de lange termijn waarschijnlijk minder problemen oplevert). Ik voel me Europeaan – hoewel dat welbeschouwd lariekoek is, want eigenlijk voel ik op dit vlak helemaal geen donder – laat ik zeggen: ik bén een overtuigd Europeaan. Ik zou er geen probleem mee hebben als alle landen van Europa verdwenen en we alleen nog de blauwe vlag met gele sterren hadden om bij te zingen en voor te sterven.

Rijdend door het ongeëvenaarde Transsylvanië is het dan ook wrang te zien dat ieder dorp dat trots vermeldt dat het Europese steun heeft ontvangen, uit Sapard of Phare fondsen, verknald is. Zodra je bij de ingang een blauw bord met gele sterren ziet is het zeker dat er midden in het dorp tussen de lage huisjes een draak van een pension is gebouwd, twee verdiepingen hoog met zoveel mogelijk velux kantelramen in het felrode pannendak. En het tragische is: één zo’n gedrocht is genoeg om de magie van het gehele dorp te doen verdampen. De Europese Unie doet waar Ceaucescu van droomde, maar niet kon afmaken: de landelijkheid van de Transsylvaanse dorpen vernietigen. Ceaucescu probeerde met bulldozers de dorpen tegen de grond te gooien, de Europese Unie is veel duivelser: geef ze geld en ze doen het zelf.

Daarnaast worden de op minuscule stukjes grond boerende boeren gestimuleerd land te verkopen, zodat er grotere aaneengesloten percelen ontstaan voor efficiënte landbouw. We weten wat de ruilverkaveling met het Nederlandse landschap heeft gedaan. Ieder vooruitgang is een achteruitgang, maar in het geval van Transsylvanië is het extra pijnlijk, omdat het van zo’n ongekende schoonheid is. Je moet blind zijn om niet in te zien dat de toekomst van dit ruige stuk natuur in het toerisme ligt, met daarnaast bosbouw en kleinschalige landbouw. De westerse toerist zal gecharmeerd zijn door middeleeuwse en niet door postcommunistische architectuur.

In plaats van her en der in Transsylvanië emmers met geld om te kiepen moet de Europese Unie de moeite nemen de mensen in Transsylvanië te begeleiden en te vermijden dat ze hun eigen glazen ingooien. Dat gebeurt nu in een razend tempo. Een verloren wereld wordt op dit moment met Europees geld verkracht.

jaap@scholten.hu