Helemaal terug: krapte op de arbeidsmarkt

De geboortegolfgeneratie zwaait af, het aantal vacatures staat op recordhoogte en de vakbonden bereiden hogere looneisen voor. Mogelijke antwoord: bedrijven die verhuizen vanwege een blijvend een tekort aan jongeren.

Nederland komt arbeidskrachten tekort. Het aantal openstaande vacatures is nog nooit zo hoog geweest, de werkloosheid is met ruim 5 procent een van laagste in Europa en het duurt steeds langer om vacatures te vervullen. De tekorten worden alleen maar nijpender. De geboortegolfgeneratie stopt geleidelijk met werken, terwijl tegelijkertijd de economie aantrekt. In sommige sectoren vertrekt de komende jaren tot een kwart van het personeel.

Wie gaan al die vertrekkende werknemers vervangen? En wat betekent het tekort aan personeel voor de economie? De chef-econoom van de Rabobank voorspelde vorige week dat de economische groei volgend jaar geremd zal worden door de krapte op de arbeidsmarkt en werkgevers maken zich zorgen over onverantwoorde loonstijgingen. De grootste tekorten zullen ontstaan in het onderwijs en in de zorgsector. De marktsector komt vooral technisch geschoold personeel tekort.

Toch komen er genoeg mensen beschikbaar op de arbeidsmarkt. De opmars van werkende vrouwen is nog niet ten einde, werknemers uit de nieuwe lidstaten van de Europese Unie trekken naar Nederland, ouderen zijn de afgelopen tien jaar gemiddeld langer gaan werken en veel uitkeringsgerechtigden staan nog aan de kant.

Maar dat er mensen beschikbaar zijn, betekent niet dat werkgevers ook een baan voor ze hebben. Vraag en aanbod – de eisen die werkgevers stellen en de kwalificaties van werkzoekenden – sluiten niet op elkaar aan. Bij het Centrum voor Werk en Inkomen staan bijvoorbeeld 570.000 werkzoekenden ingeschreven, ruim meer dan het recordaantal openstaande vacatures van 219.000.

Maar de ervaringen tijdens de vorige economische opleving stemmen weinig hoopvol. Toen is de activering van uitkeringsgerechtigden maar beperkt gelukt. Zelfs op het hoogtepunt van de economische opleving, in 2001, waren er nog 540.000 mensen met een werkloosheids- of bijstandsuitkering en bijna een miljoen mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

„Een aantrekkende economie vormt een buitenkans voor alle mensen die langs de kant staan”, zegt Paul de Beer, arbeidsmarkteconoom aan de Universiteit van Amsterdam. „Het probleem is de aansluiting. Laaggeschoold werk wordt vaak niet aantrekkelijk gevonden. Voor gespecialiseerd werk zijn vaak geen geschikte kandidaten te vinden.” Werkgelegenheidsprojecten in, bijvoorbeeld, de tuinbouw hadden nauwelijks resultaat omdat werkzoekenden geen belangstelling toonden en werkgevers niet zaten te wachten op ongemotiveerde krachten.

Ook de toestroom van buitenlandse werknemers lijkt onvoldoende soelaas te bieden. In 2005 werden aan arbeidsmigranten uit de nieuwe EU-landen, voor 80 procent Polen, circa 30.000 werkvergunningen verleend. Daarbij ging het vooral om tijdelijk werk in de land- en tuinbouw.

Het kabinet verwacht dat de toestroom van werknemers uit deze landen de komende jaren meevalt. Voor de verwachte groei gebruikt het kabinet schattingen van onderzoeksbureau Ecorys, dat in 2007 op 62.000 tot 74.000 werknemers uit de nieuwe EU-lidstaten rekent – vooral seizoensarbeiders. Grote aantallen, maar niet als je kijkt naar de honderdduizenden vacatures die per jaar worden vervuld. Samen zouden alle nieuwe migranten 0,5 procent van de totale arbeid verrichten.

Ondanks alle goede eigenschappen die werkgevers aan Poolse werknemers toeschrijven – productief, nooit ziek, gemotiveerd – speelt ook hier het probleem van de aansluiting op de arbeidsmarkt. Zo ontbreekt het bij hen vaak aan een gedegen technische opleiding en een goede beheersing van de Nederlandse taal. Veel vacatures zijn daardoor onmogelijk te vervullen door Polen of andere migranten.

Hetzelfde geldt voor vrouwen. Als zij meer gaan werken – de meesten werken parttime – is dat geen oplossing voor alle tekorten, zegt Frank Cörvers, arbeidsmarkteconoom aan de Universiteit van Maastricht. „De participatie van vrouwen mag toenemen, maar wat hebben bouwbedrijven daaraan?”

De krapte lost zich dus niet vanzelf op. Wat betekent dat? Om te beginnen dat de strijd om schoolverlaters alleen maar zal toenemen. Bedrijven verzinnen van alles om de aandacht van leerlingen te trekken. Ze benaderen scholen voor stages, excursies en plaatsen op banenmarkten.

Blijvende knelpunten in specifieke sectoren hebben nog een consequentie: hogere lonen. De torenhoge loonstijgingen van vijf jaar geleden staan de meeste werkgevers nog helder voor de geest. De vakbonden stellen zich tot nu toe gematigd op, met voor dit jaar een looneis van gemiddeld 2 procent.

De Beer vindt deze looneisen juist te mager. „De bonden vragen amper meer dan de inflatie. Ze kunnen makkelijk 3,5 of 4 procent loonstijging vragen.” Ze gaan dat wellicht ook doen. Gisteren bleek dat drie grote FNV-bonden vinden dat de vakcentrale zijn centrale looneis van 2,5 procent moet verhogen naar 3 of 4 procent. Maandag praten de bonden daarover met de vakcentrale.

Het ziet er naar uit dat tekorten en hoge lonen de komende jaren een gegeven zijn. Hoeveel economische groei dat kost, is de vraag. „Krapte heeft een direct negatief effect als die leidt tot het inkrimpen en afstoten van activiteiten”, zegt De Beer. „Maar ondernemers zullen natuurlijk op zoek gaan naar creatieve oplossingen. Bijvoorbeeld het verplaatsen van activiteiten naar het buitenland of het investeren in nieuwe technologie die arbeid overbodig maakt. Dat is een oplossing voor de langere termijn, maar gegeven de blijvend kleinere aanwas van jongeren wel een logische stap.”