Gezocht (nog steeds): Kamerleden die willen vernieuwen

Na de Pim Fortuyn-revolte in 2002 beloofden Kamerleden beterschap: ze zouden gaan luisteren naar de mensen in het land. Heel tevreden zijn ze over zichzelf, zo blijkt uit onderzoek.

Na de moord op Pim Fortuyn in mei 2002 kraakte de parlementaire democratie. Fortuyn verwoordde het ongenoegen van veel burgers. Bij zijn begrafenis stond een vrouw langs de kant van de weg te huilen. „Hoe moet het nu”, vroeg ze zich af, kijkend in de tv-camera. „Mijn man wacht op een openhartoperatie en nu is Pim dood.”

De Fortuyn-revolte bracht een enorme kloof aan het licht tussen kiezers en politici. Na de verkiezingen haalde de Lijst Pim Fortuyn in één klap 26 zetels in de Tweede Kamer. Uit onderzoek bleek dat het vertrouwen van de burgers zich in de periode 2002-2004 op een na-oorlogs dieptepunt bevond.

Maar dat is nu allemaal voorbij. Uit het ‘Parlementsonderzoek 2006’ blijkt dat het vertrouwen weer helemaal terug is, althans, onder leden van de Tweede Kamer. Onder de parlementariërs is grote tevredenheid over het functioneren van de democratie en het parlement. De volksvertegenwoordigers van 2006 zijn optimistischer dan de parlementariërs van 2001.

Opvallend is dat deze uitkomst sterk contrasteert met de bevindingen van de ‘21minuten-enquête’ 2006. Daaruit blijkt dat Nederlanders in politiek zijn geïnteresseerd, maar bar weinig vertrouwen hebben in de politici.

Hoe denken de huidige volksvertegenwoordigers – van wie een deel op het punt staat afscheid te nemen – over het instituut Tweede Kamer? Functioneert de Kamer naar behoren? Hoe staat het ruim vier jaar na de moord op Pim Fortuyn met de kloof tussen kiezer en gekozene? Moet de burger meer greep krijgen op de besluitvorming?

Die vragen legden onderzoekers van de universiteiten Leiden en Twente in opdracht van de Raad voor het Openbaar Bestuur voor aan de zittende Kamer. Deze raad adviseert het Rijk over de inrichting en het functioneren van de overheid waarbij speciaal wordt gekeken naar het vergroten van de doeltreffendheid en doelmatigheid.

Van de 150 leden die de afgelopen periode in de Tweede Kamer zaten, gaf 76 procent (114 leden) antwoord. Het project staat onder leiding van Jacques Thomassen, hoogleraar politicologie aan de Universiteit Twente en vanaf 1972 betrokken bij het onderzoek, en Rudy Andeweg, hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Leiden en sinds 1990 betrokken. Het onderzoek dat vandaag gepubliceerd wordt is het zesde sinds 1968.

Eén van de opmerkelijkste conclusies is volgens onderzoeker Andeweg dat Kamerleden helemaal niets hebben geleerd van wat wel de ‘revolte van 2002’ is gaan heten.

Politici hadden direct na die verkiezingen de mond vol van beter luisteren naar de burger, van meer invloed ook van de burger op de politiek. Maar Kamerleden nu verschillen nauwelijks in hun opvattingen over de rol van politici ten opzichte van hun collega’s in 2001. Thomassen: „Volgens sommige amateur-historici is er in 2002 wat veranderd, maar daar blijkt helemaal niets van in ons onderzoek.”

Andeweg: „Er leek een window of opportunity te zijn voor het dichten van de spreekwoordelijke kloof. Nu blijkt dat dat alleen maar met de mond is beleden.” Vooral CDA en VVD zijn weer teruggeschoten in de stand van vóór 2002. Maar niet alleen de regeringspartijen zijn teruggekomen van het idee van bestuurlijke innovaties waarbij de burger meer rechtstreekse invloed krijgt op de politieke besluitvorming. Andeweg: „Ook bij de PvdA is het enthousiasme voor bijvoorbeeld referenda helemaal weggeëbd.”

Uit de parlementsonderzoek blijkt dat tweederde van de kamerleden vindt dat er een kloof bestaat tussen kiezers en gekozenen. Over de relatie tussen burgers en politici is de ‘21minuten-enquête’ nog harder: slechts zes procent van de ondervraagden vindt dat politici een goed contact met de bevolking hebben en voldoende luisteren.

Een groep Kamerleden ziet de kloof als onvermijdelijk: algemeen belang tegenover eigen belang. „De burgers worden steeds consumentistischer: ze willen iets en zullen het krijgen”, aldus een Kamerlid, de antwoorden in het onderzoek zijn geanonimiseerd.

De Kamerleden leggen de schuld voor de kloof niet bij zichzelf, maar bij de kiezer en bij de media. Andeweg: „De kiezer heeft geen oog voor welke belangen er spelen en laat emoties meewegen in zijn afwegingen. Voorts is er volgens de Kamerleden een gebrek aan informatie bij de kiezer. De kloof is iets wat de Kamerleden is overkomen.”

Gevolg van die scepsis is dat de Kamer weer minder openstaat voor geluiden van buitenaf. Andeweg: „Tot 2001 zag je dat Kamerleden steeds meer de neiging hadden naar de burger te luisteren, maar na het Europees referendum is dat weer afgenomen.”

Thomassen: „Wat dat betreft is de houding ten opzichte van de kiezer weer dezelfde als in 1990: de kiezer begrijpt het niet, laat ons het maar doen.” De onderzoekers zien dit toegenomen zelfbewustzijn terug in de manier waarop politici optreden. Als er een verschil van mening is tussen de kiezer en de gekozen, laat het Kamerlid de eigen mening de doorslag geven.

Daarmee plaatst het Nederlandse parlement zich buiten de internationale trend van juist meer zeggenschap van de burger. Thomassen: „Kamerleden worstelen daar ook mee. Aan de ene kant zijn zij vertegenwoordigers, ingehuurd om de besluiten te nemen. Aan de andere kant is de bevolking nu veel beter geïnformeerd dan voorheen en wil politiek betrokken zijn. Het is internationaal gezien een achterhoedegevecht als je niets met die betrokken burger zou willen doen.”

Het systeem van representatieve vertegenwoordiging waarbij de kiezer een keer in de vier jaar een stem mag uitbrengen volstond volgens Thomassen misschien nog in de periode van verzuiling, „maar voldoet steeds minder in een tijd waarin steeds meer politieke partijen hun ideologische veren hebben afgeschud”.

Met name het referendum over de Europese Grondwet (in juni 2005) lijkt politici kopschuw gemaakt te hebben voor meer bestuurlijke vernieuwing. Thomassen: „Iedereen riep aan de vooravond van het referendum dat het een feest voor de democratie was. Maar het was één keer feest en daarna niet meer.”

Opmerkelijk is ook dat het blijkbaar heel veel uitmaakt of je in de coalitie zit of in de oppositie. „In de jaren tachtig werden er nog wel eens voorstellen van de oppositie aangenomen, nu is de scheidslijn veel sterker. Oppositievoeren is anno 2006 toch een beetje zitten en wachten op nieuwe verkiezingen”, zegt Andeweg. Waar het CDA in 2001, toen de partij nog in de oppositie zat, het massaal eens was met de stelling dat regeerakkoorden ten koste gaan van de controlerende taak van het parlement, was dat in 2006 precies omgekeerd. Voor de PvdA geldt het tegenovergestelde.

Dat brengt de onderzoekers bij de conclusie dat het zelflerend vermogen van de Kamer als instituut niet groot is. „Ieder Kamerlid wil opnieuw het wiel uitvinden”, zegt Thomassen. „Het is een cultuurkwestie.” Andeweg ziet twee uitzonderingen: „Het bewustzijn dat de Kamer teveel achter hypes aanloopt is groot en de Kamer wil daar ook echt wat aan doen. En ten tweede is er de laatste jaren in het wetgevingsproces veel meer aandacht gekomen voor de uitvoering.”

Opdrachtgever Peter Lankhorst, lid van de Raad voor het Openbaar Bestuur, heeft het rapport met „gemengde gevoelens” gelezen. „Als Raad hebben we aan de Tweede Kamer voorgesteld om een eigen onderzoek te doen.” Zelfevaluatie, want dan wordt volgens Lankhorst de bereidheid om aan de slag te gaan met de conclusies ook groter.

En de Kamer moet, zo vindt Lankhorst (van 1981 tot 1994 zelf Kamerlid), aan de slag. „Je kunt niet tevreden zijn over je eigen functioneren, tegelijkertijd een kloof tussen burgers en politici signaleren, en weigeren om vernieuwingen door te voeren.” Dat is, volgens Lankhorst, „veel ongerijmdheid”. „Als je jezelf serieus neemt dan moet je daar consequenties uit trekken.”

De Kamer moet kritischer naar zichzelf kijken, vindt Lankhorst. „Neem als voorbeeld het referendum over de Europese grondwet. Daar heeft de Tweede Kamer spijt van, dus zeggen ze: moeten we niet meer doen. Waarom niet? Omdat het zo genadeloos de kloof tussen Den Haag en de burger zichtbaar maakt?”