Een dikke voetballer hoort niet in de goal

Iedereen weet het: veel te veel kinderen zijn te dik. Maar wat moet je doen als je wel wil maar niet kan afvallen? Regel één: ga in ieder geval nooit op dieet.

Bij iedereen in de klas zitten ongeveer vier kinderen die te dik zijn. Tenminste dat zeggen de cijfers van instanties zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek of het Voedingscentrum in Den Haag. Men gaat ervan uit dat één op de zeven à acht kinderen te kampen heeft met overgewicht. Omdat dikke kinderen grote kans lopen om later ook een dikke volwassene te worden, slaat de overheid alarm. Steeds weer een nieuwe campagne: eet gezond en blijf bewegen.

Gek worden dikke kinderen van al die campagnes. Boos worden hun ouders van al dat ongevraagde advies. Ongelukkig van al die misprijzende blikken van de omgeving: steeds weer dat opgeheven vingertje van iedereen die het beter weet. En trouwens, waarom kijkt niemand gewoon naar zichzelf? Die priemende ogen doen namelijk heel veel pijn.

Wanneer ben je eigenlijk te dik? Consultatiebureau- en schoolartsen kijken naar de Body Mass Index (BMI) om vast te stellen of een kind te zwaar is. Bij een gezond gewicht is de verhouding tussen lengte en gewicht goed. Over de hele wereld gelden dezelfde BMI-waarden. Op de internetsite van het Voedingscentrum kun je de BMI gemakkelijk berekenen. Maar iedereen kan ook zelf zijn BMI berekenen: gewicht (in kilo’s) delen door de lengte (in meters) en de uitkomst nog eens delen door de lengte. Vervolgens kun je in de officiële BMI-lijst opzoeken of het gewicht te licht, goed of te zwaar is.

En dan ben je dus te dik. Wat kun je dan het beste doen? Ga gewoon een keer naar de huisarts. Het zou kunnen dat er een medisch probleem aan het overgewicht ten grondslag ligt. In één tot vijf procent van de gevallen van overgewicht is een lichamelijke oorzaak aan te wijzen. Dat kunnen ontwikkelingsproblemen zijn waardoor je beperking in bewegen hebt. Ook hormonale stoornissen, zoals een niet goed werkende schildklier, kunnen overgewicht veroorzaken. Dat zijn aandoeningen die behandeld kunnen worden. Maar dat is een klein percentage. Tegen dikheid op zichzelf bestaat geen pil.

Moeten in al die andere gevallen de kinderen en de ouders er zelf wat aan doen? Het antwoord is ‘ja’ maar er is een aantal bruikbare tips van de kinderartsen dr. Mieke Jongejan (Sint Franciscus Gasthuis in Rotterdam) en drs. Erica van den Akker die zowel in het Sint Franciscus als in het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam werkzaam is. Eerst een aantal tips voor de ouders:

1 Denk nooit dat het kind er vanzelf wel uit zal groeien. Dan onderken je het probleem en help je het kind absoluut niet. Het overtollige vet gaat niet vanzelf weg.

2 Breng niet uw eigen frustratie of probleem over op het kind. Bent u bijvoorbeeld zelf al een slechte eter en heeft u andere problemen, zeg dan nooit: vanavond eten we maar even gemakkelijk een pizza voor de televisie. Het wordt een gewoonte en het is ongezond.

3 Val uw kind nooit af. Als er iemand tot steun kan zijn, is dat een van de ouders. Een kind kan het niet alleen.

4 Vermijd het conflict want ruzie maken doet eten. U zult vast wel gelijk hebben maar zoek een positieve manier om dat gelijk over te brengen.

5 Kijk wat uw kind wel (goed) kan. Ze hebben het al moeilijk genoeg en een compliment doet veel meer dan u denkt.

6 Het hele gezin moet om. Maak geen uitzondering voor uw kind met overgewicht. Voor de dunne sprietjes is het ook van levensbelang dat zij regelmatig en gezond eten.

Voor de kinderen hebben de kinderartsen ook een paar tips die niet moeilijk zijn om op te volgen.

1 Zoek vandaag nog een sport die je leuk vindt. Het helpt altijd. Als je goed beweegt, wordt je geest én je lichaam gezonder. Dat betekent betere cijfers op school. Mooi meegenomen. O ja, en als je gaat voetballen, zorg er dan voor dat je niet als keeper in de goal wordt gezet. Geef aan dat je liever op het middenveld speelt. De coach moet wel van een heel andere planeet komen als hij dát niet begrijpt en je niet lekker laat rennen.

2 Je kunt iedere dag opnieuw beginnen met gezonder leven. Dus geef nooit op.

3 Wat zijn voor jou helpende gedachten? Hoe heb je bepaalde dingen bereikt? Heb je een zwemdiploma gehaald? Hou jezelf vast aan die gedachten want die kunnen je ook in andere situaties kracht geven.

4 Zoek iemand met wie je over jouw dik-zijn kunt praten. Als is het maar om een keer te kunnen vertellen, dat je niet een hele zak chips hebt opgegeten.

Voor zowel de kinderen als de ouders staat één gebod voorop: GA NOOIT LIJNEN. Dat is slecht voor de lichaamshuishouding – die slaat op hol en weet echt niet wanneer hij daarmee moet ophouden. Orthopedagoog Katrientje Hofland schreef onlangs ‘Je bent toch niet zo gek dat je nog in diëten gelooft?!’. Het boek is vooral bedoeld voor meisjes tussen de 12 en de 19 jaar maar het blijkt ook ouders aan te spreken. Waarom raadt zij af om te lijnen? Hofland: „Je begint met lijnen, je valt af. Maar als je dan op streefgewicht bent en stopt met lijnen, begint de ellende pas goed. Je gaat weer gewoon eten terwijl je lichaam daar niet op ingesteld is. Je maag weet van niets, laat staan dat die weet dat er werk aan de winkel is. Dat voedsel slaat zich allemaal op en wordt gewoon weer bij het lichaamsgewicht opgeteld. Uiteindelijk kom je bij iedere lijnpoging meer kilo’s aan dan dat je bent afgevallen. En dat wordt alleen maar erger.”

In ‘Je bent toch niet zo gek ...?!’ beschrijft Hofland het wel en wee van twee vriendinnen die via e-mail met elkaar corresponderen. De correspondentie wordt afgewisseld met informatie over dik-zijn, afvallen en accepteren wie je bent. Hofland: „Je zou kunnen volstaan met alleen de e-mails te lezen om de essentie van het boek te begrijpen maar ik geef daarnaast ook adviezen, zelfs commentaar, om de meiden bewust te maken van hun gedrag. Ik geef daarnaast recepten om te laten zien dat eten ook lekker en gezellig kan zijn.”

Als er meer hulp van buitenaf nodig is, bestaan er verschillende methoden waarbij het kind begeleid kan worden in afvallen of niet dikker worden. Eén van de mogelijkheden is de dikke vriendenclub (DVC) van het Sint Franciscus Gasthuis in Rotterdam. Het is bedoeld voor kinderen russen de 8 en 12 jaar. Jongejan en Van den Akker zijn als kinderarts aan de club verbonden. Jongejan: „Het is geen cadeautje om bij de DVC te komen. Ook geen garantie dat het kind afvalt. Er wordt veel van de ouders verwacht: zij moeten een contract tekenen waarin zij beloven hun uiterste best te zullen doen hun kind te begeleiden en te stimuleren en gezond eten aan te bieden.”

Het programma van de dikke vrienden club is dit jaar gestart in tien verschillende ziekenhuizen in Nederland Het bestaat uit acht kinderbijeenkomsten en twee ouderbijeenkomsten in een tijdsbestek van ruim tien weken. De kinderen worden niet wekelijks gewogen en de lat ligt niet te hoog. Jongejan: „Als de deelnemers aan het einde van het programma op hetzelfde gewicht zijn gebleven, krijgen ze hun diploma. Zij zijn in diezelfde tijd namelijk wel in de lengte gegroeid en dat geeft een beter BMI.” De DVC bestaat sinds 1995 en heeft goede resultaten behaald. Het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (14 mei, 2005) concludeerde dat ,,bij kinderen met overgewicht of obesitas die het behandelprogramma volgden, de BMI en de energie-toename gedurende de behandelperiode waren afgenomen en dat de fitheid was toegenomen”.

Een bezoek op woensdagmiddag aan de dikke vrienden club toont aan dat het een serieuze maar ook kameraadschappelijke aangelegenheid is. Alles komt ter sprake: bijvoorbeeld hoe is het gepest te worden en wat kun je er aan doen? Hoe weet je wat gezond is en wat niet? Mag je nog snoepen? Waar moet ik op letten? Welke sporten zijn leuk en waarom? De kinderen krijgen oefeningen mee naar huis waardoor ze meer leren over eten en bewegen. Zij hebben zich in overleg met de diëtiste eetdoelen gesteld die op deze bijeenkomst worden besproken. Als een van de meiden aangeeft het doel van 2 stuks fruit per dag niet te hebben gehaald, vraagt de diëtiste naar de reden. Het antwoord is veelzeggend: „Op de fruitschaal liggen alleen maar rotte appels.”

De middag wordt afgesloten met nog een uurtje fysiotherapie. Er wordt over verschillende sporten gesproken. De kinderen hebben in hun werkschrift foto’s geplakt van de sporten die zij leuk vinden en van sporten die zij zelf beoefenen. Synchroonzwemmen, voetballen en vechtsport staan bovenaan. Dan begint het instuderen van het dansje voor de ouders die op de laatste woensdag ter afsluiting nog één keer naar het ziekenhuis zullen komen. Niemand vindt het erg om vooraan te staan – hier mag je dik zijn. Het einde van de cursus is duidelijk in zicht.