Dit land is een ramp voor de wetenschap

De achteloosheid waarmee Nederland omgaat met de enige eigen Nobelprijswinnaar die hier nog steeds doceert, grenst aan het ongelooflijke,meent Renate Loll.

Jaap Goudsmits rake opmerkingen over het ‘vlakke’ Nederlandse wetenschappelijke en onderwijslandschap (Opinie & Debat, 11 november) sloegen in verschillende opzichten de spijker op de kop.

Als buitenlander die sinds vijf jaar doceert aan een vooraanstaande Nederlandse universiteit, kan ik hieraan het gezichtspunt van een relatieve nieuwkomer en buitenstaander toevoegen. Ik maak me mét Goudsmit zorgen over de structurele belemmeringen voor de breed gedragen ambitie om Nederland vooruit te brengen door ‘kennis’ te koesteren en toe te passen, in plaats van een Disneyland van grachten en windmolens te worden.

Het wringt tussen enerzijds het streven naar ‘gefocust’ en ‘uitmuntend’ wetenschappelijk onderzoek, en anderzijds de wijdverbreide onwil om te erkennen dat sommige mensen nu eenmaal veel beter dan anderen in staat zijn deze begrippen zinvol inhoud te geven. Nu wij steeds meer gedwongen zijn mondiaal positie te kiezen, komt de neiging om onze ‘toppen’ – de uitmuntende personen die er hoe dan ook zijn – te kleineren, neer op een onvergeeflijke verspilling van potentieel en talent. Dit tempert onvermijdelijk de aspiraties van jong talent, en zo te zien speciaal van jonge vrouwen.

Het gebruikelijke kleineren van individuele – vooral andermans – prestaties bereikt soms klassieke hoogten, zoals in het verschijnsel dat in onderzoeksvoorstellen, evaluaties en sectorplannen iedere directe verwijzing naar individuele wetenschappers wordt geschrapt. Buitenstaanders zijn soms verbijsterd.

Er is één Nederlandse Nobelprijswinnaar die nog altijd in Nederland wetenschappelijk actief is en doceert. Hij is bovendien het toonbeeld van een creatieve wetenschapper van wereldklasse die op zijn vakgebied nog altijd velerlei originele ideeën van internationale importantie produceert. In het buitenland worden zijn intellectuele scherpzinnigheid en wetenschappelijke integriteit zeer hoog aangeslagen. Ik heb het uiteraard over Gerard ’t Hooft, die het grootste deel van zijn carrière verbonden is geweest aan de Universiteit Utrecht.

Je zou zeggen dat ’t Hooft boven aan het lijstje zou staan van iedere universiteitsbestuurder die gaat over een van de nieuwe ‘Science Parks’ van het land, die de knapste koppen uit het hele land en de wereld zouden moeten aantrekken. Wie zou de kans willen missen om de man te eren – en van zijn internationale reputatie te profiteren – die in de veel geciteerde Shanghai-ranglijst van de beste universiteiten van de wereld in zijn eentje de positie van zijn huidige universiteit van een 65ste plaats naar een zeer respectabele 40ste plaats tilt?

Ook economisch lijkt het evident: neem 40 miljoen euro, bouw een prestigieus instituut voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, noem dat‘’t Hoofts Denkfabriek’, zet de man zelf erin als lichtend voorbeeld van hoge intellectuele maatstaven, geef hem een behoorlijk budget en een stel bekwame bestuurders en laat hem dan doen wat hij het beste kan: wetenschappelijk onderzoek. Laat particuliere geldschieters gekoppeld aan dat instituut leerstoelen, internationale conferenties, masterclasses en externe wetenschappelijke programma’s financieren. Maak het tot kristallisatiepunt van intellectuele creativiteit en voortreffelijkheid, tot vlaggeschip van je internationale ambities. Als zuiver theoretische onderneming, die bestaand potentieel optimaal benut, vergt dit maar een kleine investering, die tegen minimaal risico geweldige vruchten zou kunnen afwerpen.

Maar de werkelijkheid is anders. De Nobelprijswinnaar heeft zelfs in kleine kring bezorgd laten weten dat het de vraag is of hij, wanneer hij over vijf jaar met emeritaat gaat, zijn werkkamer wel zal mogen aanhouden voor onderzoek. Je gelooft je oren niet. Dit is Vlakland ten top: hij mag dan een Nobelprijs hebben gewonnen, daarom hoeven we voor hem nog geen uitzondering te maken op die doordachte regels van ons, die immers voor iedereen gelden.

Neem me niet kwalijk, maar ik geloof dat hier iets volkomen fout zit, iets wat dringend moet veranderen als wij een omgeving willen creëren waarin intellectuele prestaties en productiviteit kunnen gedijen.

Misschien zouden onze Duitse buren, die – al staan ze verder niet bekend om het hoge niveau van hun onderwijsstelsel – toch al ten minste een Max Planckinstituut rond hem zouden hebben opgetrokken, zich over ’t Hooft kunnen ontfermen. Dit voorbeeld kan dienen om enkele van de door Jaap Goudsmit gesignaleerde problemen te onderstrepen. Zijn concrete voorstellen voor verandering verdienen serieuze aandacht als uitgangspunt voor een al te lang uitgesteld debat.

Renate Loll is hoogleraar Theoretische Natuurkunde aan de Universiteit Utrecht.

Lees het interview met Goudsmit na via nrc.nl/opinie: