Defensie dekt misstanden nog altijd toe

Minister Kamp (Defensie, VVD) wekt de indruk niet volledig geïnformeerd te zijn over de Nederlandse officieren die Iraakse gevangenen ‘martelden’.

Zo zeker was VVD-minister Kamp ervan, dat er nu écht iets veranderd was in de cultuur op het ministerie van Defensie, dat hij juist had besloten de ‘Dutchbatters’ die in 1995 getuige waren geweest van de val van Srebrenica, toch maar een feestelijke herinneringsmedaille toe te kennen. Door deze pijnlijke historie – waarbij krachten binnen het militaire apparaat van Defensie het niet opportuun hadden gevonden om de toenmalige minister, Joris Voorhoeve, precies te informeren over de toedracht van de gebeurtenis, waarop jaren van geruchtenvorming volgden – moest volgens Kamp maar eens definitief een streep worden gehaald.

Er is immers, met name onder Kamps eigen vierjarig bewind op Defensie, véél veranderd op dit moeilijke ministerie. In plaats van het wat schutterige, slecht bewapende en vooral voor verliezen in eigen kring beduchte Dutchbat van Srebrenica, is nu in de Afghaanse provincie Uruzgan een van de modernste apparatuur voorziene fighting force op de been, die eerst tussen 2003 en 2005 in Zuid-Irak met zo’n ingewikkelde missie ervaring heeft opgedaan. Er is, afgezien van de gebruikelijke operationele geheimen, niets meer te verbergen en veel om trots op te zijn.

Maar gisteren stond er opnieuw een duidelijk zenuwachtige minister van Defensie de pers uit te leggen dat er iets niet in de haak is geweest, daarbij sterk de indruk wekkend er zelf nog niet helemaal het fijne van te weten. De cultuur van het toedekken is binnen de Nederlandse militaire organisatie kennelijk levendiger dan Kamp voorheen had aangenomen.

Er is reden om een onafhankelijke commissie te laten uitzoeken, wat er nu precies is voorgevallen bij de behandeling van Iraakse gevangenen door officieren van de militaire inlichtingendienst MIVD in oktober 2003, zei de minister.

De zaak was de politieke top van het ministerie bekend geweest, toen er in november 2003 voor het eerst melding van was gemaakt, zei Kamp – in het midden latend of dat ook in werkelijkheid bij hemzelf bekend was geweest, of dat hij hier alleen maar formeel de verantwoordelijkheid nam.

Nog vager was Kamps verklaring over wat er daarna was geschied. Kamp wekte de indruk dat de uitkomst van een Marechaussee-onderzoek hem niet was gemeld. Daar was ook geen reden voor geweest, omdat uit het onderzoek geen vermoeden van een misdrijf naar voren was gekomen, zei hij. In mei 2004 had hij dus ‘niets bekend’ kunnen schrijven, toen het Tweede Kamerlid Karimi, naar aanleiding van de opschudding rond Abu Ghraib, hem schriftelijk had gevraagd of Nederlandse militairen weet hadden van mishandeling van gevangenen. „Ik vind mishandeling namelijk een strafbaar feit”.

Opmerkelijk was ook wat Kamp gisteren allemaal niet zei. De gebruikelijke lofzang van de minister bij schandalen rond de Krijgsmacht, dat we wat er ook gebeurd moge zijn, trots moeten blijven op onze vrouwen en mannen die in den vreemde onder moeilijke omstandigheden enzovoorts, ontbrak. De minister kwam niet te spreken over de vraag hoe de MIVD-officieren er eigenlijk toe kwamen om arrestanten – volgens de Volkskrant vier dagen lang – te ondervragen, waar verhoren nadrukkelijk niet tot de taak van de Nederlandse strijdmacht in Irak behoorden. En evenmin over de vraag of bij de gewraakte verhoren wellicht functionarissen van een ander land betrokken waren, en ook niet waar de MIVD’ers eigenlijk de tactiek van water gooien over arrestanten vandaan haalden.

Wel sprak de minister nadrukkelijk over de ‘de informatie waarover ik nu beschik’ en herhaalde dit voorbehoud in antwoord op vragen enkele malen – daarmee op z’n minst de theoretische mogelijkheid openend dat er nog meer informatie in de ruimte zweeft waarvan hij zelf nog geen weet heeft.

Ook wanneer de minister wegkomt met zijn huidige versie van de gebeurtenissen of als zou blijken dat er inderdaad geen mishandeling heeft plaatsgevonden, is de zaak voor de Nederlandse regering al pijnlijk. Ten eerste omdat er woensdag Kamerverkiezingen zijn en Kamp een prominent VVD-kandidaat is. Maar ook omdat, zoals Kamp gisteren herhaalde, Nederland „de lat hoogt legt” bij de behandeling van de gevangenen en regelmatig de Verenigde Staten in het openbaar de les leest over hún behandeling – die verwijten klinken sinds gisteren toch minder geloofwaardig. En omdat de zaak sommige onbeantwoorde vragen over het huidige Nederlands optreden in Afghanistan versterkt. Maandag vertoont de NCRV een documentaire waarin te zien is hoe Nederlandse commando’s optreden in gezelschap van een Amerikaanse inlichtingenofficier die de verhoren doet. Een Nederlandse inlichtingenofficier in Uruzgan zegt in die documentaire dat de door hem aangeleverde gegevens door een superieur tot een „politiek verkoopbaar” verhaal worden vervormd, voordat ze de minister bereiken. Het lijkt er dus op, alsof er voor Kamp niet alleen over het verleden nog het een en ander valt uit te zoeken.