De slingerbeweging tussen apart of samen

Wat gebeurt er als je kind wegens ziekte of een leerprobleem niet in het regulier onderwijs terecht kan? De worsteling door een brij van termen en regels.

Wanneer ouders voor de keuze staan of hun kind naar een school moet die tegemoet komt aan de ziekte of het leer- of gedragsprobleem van hun kind, belanden ze in de wereld van de clusters, expertisecentra en rugzakjes. Ouders die meer willen weten over de verschillende soorten onderwijs die er mogelijk zijn voor hun kind, moeten zich eerst door een brij van termen, regels en voorwaarden worstelen voordat duidelijk is welke keuze kan worden gemaakt.

Nederland heeft een uitgebreid netwerk van voorzieningen en scholen voor zorgleerlingen, zoals dat in het onderwijsjargon zo mooi heet. Maar het is wel een stelsel waar voortdurend werk in uitvoering is. In 2010 moeten het huidige ingewikkelde systeem overzichtelijker zijn en de samenwerking tussen het speciaal en reguliere basisonderwijs een feit zijn. Meer kinderen met een ziekte of leerprobleem zouden dan in het regulier onderwijs terecht kunnen. Ouders moeten in al deze plannen ook meer invloed krijgen op het onderwijs voor hun kinderen.

Dat al die veranderingen niet zonder slag of stoot gaan, bleek een maand geleden uit de protesten vanuit het regulier onderwijs dat in de toekomst een zorgplicht krijgt om zorgleerlingen passend onderwijs te bieden. Waarop onderwijsminister Van der Hoeven zich weer haastte te zeggen dat het speciaal onderwijs niet wordt opgeheven. Wie naar de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs aan kinderen met een leerprobleem of ziekte kijkt, ziet dat het een voortdurende slingerbeweging is tussen apart of samen.

In het huidige onderwijs gaan 100.000 leerlingen tussen de vier en veertien jaar naar een school voor speciaal onderwijs (so) of speciaal basisonderwijs (sbo). In het kort kan het onderscheid tussen deze twee soorten onderwijs zo worden uitgelegd; het speciaal basisonderwijs hoort bij het reguliere basisonderwijs en het speciaal onderwijs is een aparte voorziening. Een sbo-school heeft naar aanleiding van het project Weer samen Naar School (WSNS), een samenwerkingsverband met verschillende reguliere basisscholen.

WSNS is begin jaren negentig door toenmalig staatssecretaris van Onderwijs Tineke Netelenbos in werking gezet. Met als doel, de naam zegt het al, dat kinderen met leer- en of gedragsproblemen ook op gewone scholen terecht kunnen. Zo kunnen kinderen met bijvoorbeeld een niet al te zware vorm van ADHD, dyslexie of een autistische stoornis, naar het regulier basisonderwijs terwijl zij begeleid worden door het personeel van de sbo-school. Maar kinderen kunnen ook naar de sbo-school.

Ten tijde van WSNS ontstond in de toen nog jonge groeistad Almere de vraag naar speciaal onderwijs. Bij wijze van experiment heeft Almere geen aparte scholen voor speciaal onderwijs opgericht, maar kregen reguliere basisscholen een of twee klassen met kinderen met een handicap of een leerstoornis. Waar de kinderen samen les kunnen krijgen, gebeurt dat. In de school zijn de begeleiders aanwezig voor de kinderen die dat nodig hebben. In tien jaar tijd werd in Almere deze vorm van onderwijs een geaccepteerd verschijnsel. Maar ook hier geldt weer: een paar jaar geleden is op verzoek van ouders in Almere ook een school voor speciaal onderwijs opgezet.

Naast de speciale scholen voor basisonderwijs, bestaan er ook scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Deze scholen zijn voor leerlingen met een handicap, ziekte of stoornis die te zwaar is voor het sbo. Voor deze kinderen zijn in totaal tien soorten scholen, die in vier clusters onderverdeeld zijn. Cluster 1 is voor visueel gehandicapte kinderen en 2 voor dove en slechthorende kinderen. Cluster 3 is voor lichamelijk gehandicapte kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen en langdurig zieke kinderen. Cluster 4 zijn de scholen voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK), langdurige zieke kinderen, met bijvoorbeeld een psychiatrische aandoening, en kinderen met een gedrags- of leerstoornis. Leerlingen kunnen dan tot hun twintigste jaar naar het speciaal onderwijs. Scholen van een zelfde cluster werken regionaal samen binnen een Regionaal Expertisecentrum (REC). Een Commissie voor de Indicatiestelling (CvI) stelt aan de hand van onafhankelijke, landelijke criteria vast of een leerling geschikt is voor het speciaal onderwijs.

Drie jaar geleden is daar weer een regeling bovenop gekomen die het mogelijk maakt dat een kind met een indicatie voor het speciaal onderwijs toch naar een gewone school in de buurt kan: het rugzakje. Met het rugzakje kan de reguliere school extra middelen krijgen om het onderwijs voor de leerling vorm te geven. De CvI beslist of de door de ouders aangemelde leerling in aanmerking komt voor speciaal onderwijs en dus ook voor een rugzakje. En ook hier is de strijd niet gestreden. Afgelopen jaren hebben veel ouders lang juridische strijd moeten voeren om een plaatsje op een reguliere basisschool voor hun kind af te dwingen. Reguliere basisscholen geven als reden voor de weigering: we kunnen de zorg en aandacht die de kinderen met een rugzakje nodig hebben, niet geven. In de praktijk mogen reguliere basisscholen kinderen weigeren.

Ondanks het streven om kinderen met een gedrags- of leerstoornis op een gewone basisschool te onderwijzen, neemt het aantal kinderen in het speciaal onderwijs toe. In vier jaar tijd is het speciaal onderwijs, met name in cluster 4, met 12.000 kinderen toegenomen en zijn er lange wachtlijsten. Minister Van der Hoeven heeft een onderzoek gelast naar deze groei. De deskundigen buitelen over elkaar heen over wat de oorzaak van deze groei kan zijn. De beschuldigende vinger gaat vaak naar de aandacht voor nieuwe stoornissen zoals PDD/NOS, ADHD en dyslexie. Reguliere scholen zouden kinderen te snel een label opplakken en richting speciaal onderwijs sturen. En ouders eisen speciale aandacht voor hun kinderen.

Een opvallende ontwikkeling is de laatste jaren de aandacht voor leerlingen met een gedragsprobleem of psychiatrische stoornis in het voortgezet onderwijs. In het speciaal onderwijs kunnen kinderen tot hun twintigste blijven. In het sbo tot hun veertiende. Daarna gaan ze naar het praktijkonderwijs van het vmbo. Kinderen met een autistische stoornis hebben vaak een normale intelligentie of zijn hoogbegaafd, maar kunnen wegens hun handicap niet in reguliere scholen voor voortgezet onderwijs functioneren door de onoverzichtelijkheid van deze scholen.

Tot voor kort kwamen deze jongeren in het praktijkonderwijs terecht en kwamen vaak niet verder dan het vmbo-t-diploma. Totdat twee jaar geleden de zmok-school J.C. Pleysierschool in Den Haag en een jaar later het Altra College in Amsterdam, zich speciaal gingen richten op deze groep. Het bleek een succes, maar de wachtlijsten groeien ook navenant. Ook elders ontstaan nu ouderinitiatieven om zelf zulke scholen op te zetten. In Assen staat bijvoorbeeld een havo-plus school in de steigers voor kinderen die in het reguliere voortgezet onderwijs niet terecht kunnen. Werk in uitvoering dus.

• www.kennisnet.nl• www.gewoonanders.nl• www.passendonderwijs.nl