De overheid dringt de islam op aan Marokkaanse en Turkse Nederlanders

Ook de immigrant die geen moskee kent, wordt gevangen in religieuze apartheid, ontdekt Maarten Huygen.

Hatice Can-Engin (PvdA), wethouder Onderwijs, Cultuur en Zorg in het Brabantse Gilze en Rijen, kreeg in haar vorige functie als directeur van het Inspraak Orgaan Turken een verzoek van het ministerie van Justitie. Of ze advies wilde geven over een speciale tekst voor de ambtseed van moslimfunctionarissen. „Hoezo eigen tekst?”, vraagt ze zich af. Kunnen moslims dan niet toe met de gelofte of ambtseed zoals die bestaat? „Er is geen beginnen meer aan als elke gelovige zijn eigen eisen gaat stellen”, zegt ze.

Helaas deelt Nederland naar CDA-model de publieke ruimte in religies op. Voor Turkse en Marokkaanse Nederlanders die de samenleving nog niet kennen, komt dat neer op religieuze apartheid. Turkse en Marokkaanse Nederlanders worden alleen aangesproken als moslims maar velen praktiseren niet. Ook onder actieve moslims groeit de ergernis over de reductie van hun identiteit tot hun geloof. In Marokko of Turkije worden burgers niet aangesproken als gelovigen maar als onderdanen van de Turkse staat of de Marokkaanse koning. Zo niet hier. „In Nederland worden wij niet gezien als gewone mensen maar als religieuze doelgroep”, aldus Can-Engin. „De fundamentalisten beheersen dan het debat.”

Het zou even absurd zijn, bedenk ik, als alle Europese immigranten in het religieuze Amerika als ‘de atheïsten’ zouden worden beschouwd en dat de regering naarstig op zoek ging naar ‘gematigde leiders’ van het Humanistisch Verbond, de Naturistenbond, de Internationale van Trotskisten en de wereldregering van Transcendente Meditatie die dan subsidie en een contactorgaan krijgen. Dan ga je ook ‘atheïstische’ voorzieningen vragen. Op elke werkplek gratis naaktsauna’s.

Voor imams en religieuze gezagsdragers komt de nadruk op de moslimreligie goed uit. Can-Engin geeft een voorbeeld: „Mijn werkkamer is wat klein. Als ik vraag om een gebedskamer in te richten, kan niemand mij belemmeren. Daar kan ik dan mensen ontvangen. Zo werken veel religieuze vertegenwoordigers. Ze speuren de wet af naar bepalingen waar ze gebruik van kunnen maken. Dat kun je hen niet kwalijk nemen, want zo werkt het hier.”

Tot haar achttiende woonde Can-Engin (46) in Turkije. Daar kon ze iedereen een hand geven. Hier moet ze zich afvragen of een man haar hand wel accepteert. In Turkije vragen Turkse moslims niet om een vrouwelijke gynaecoloog, hier wel. Vrouwen zijn slecht af bij veel moslimvertegenwoordigers. Moslimscholen zijn er al, en binnenkort komen er misschien moslimziekenhuizen. „Straks sturen ze me nog naar zo’n moslimziekenhuis waar een man en een vrouw niet met elkaar in een kamer mogen zitten”, vreest Can-Engin. Ze is verbaasd: „Europa was het grote voorbeeld voor het Turkse seculiere model. In Turkije heb ik afgeleerd om vrouwen van mannen te scheiden. Maar in Europa wordt voor de moslims de klok weer teruggedraaid. Het is een taboe om daar grenzen aan te stellen.”

Can-Engin staat niet alleen. De overheid is zo succesvol in het etiketteren van Turken en Marokkanen dat ze voetstoots voor fundamentalisten worden aangezien. „Waarom hebt u geen hoofddoek?”, wordt gevraagd aan vrouwen. Liberale Turkse Alevieten en atheïsten bestaan niet in dit model.

De religieuze apartheid kwam ook aan de orde tijdens het debat ‘Faith and the State’ van de International School for Humanities and Social Sciences van de Universiteit van Amsterdam vorige week waar ik aan meedeed. Ik had verwacht dat de polemisch aangelegde universiteitshoogleraar filosofie Herman Philipse weinig bijval zou krijgen voor zijn pleidooi voor een seculiere ontzuilde staat. Het tegendeel was het geval. De bekende Amerikaanse constitutionele specialist Lawrence Moore van de Cornell Universiteit was het met Philipses principiële standpunt eens en hij waarschuwde tegen te grote invloed van religie op de staat. De Turkse hoogleraar Hakan Yilmaz van de Bogazici Universiteit van Istanbul vond het stimuleren van allerlei moslimorganisaties zelfs ‘gevaarlijk’.

Daartegenover stond de Amsterdamse burgemeester Cohen (PvdA) die het grondwettelijke zuilenstelsel steunt en hecht aan een vertegenwoordigende rol van moslimorganisaties. Hij is niet de enige. Ook minister Verdonk van Integratie (VVD) overlegt met het Contactorgaan Moslims en Overheid. Segregatie van nieuwkomers in een zuil is bovenal een CDA-project.

In Amsterdam is ten minste één dialoog verkeerd afgelopen. Daar opereert de orthodoxe Turkse moslimbeweging Milli Görüs die in Turkije zelf is weggekwijnd. Onder de vorige leider Haci Karacaer sloeg deze een open, gematigde koers in. Van de Amsterdamse deelraad en woningcorporatie Het Oosten kreeg hij steun om de grootste moskee van Nederland te bouwen. Er zou een raad komen om toe te zien of de moskee gematigd zou blijven. Inmiddels is Karacaer weg en het nieuwe bestuur wil geen inmenging meer. Wat hebben een woningbouwvereniging en de gemeente ook met de koers van een moskee te maken? Sinds het leggen van de eerste steen dit jaar door toenmalig minister Donner van Justitie (CDA) staat alles stil. De overheid had zich beter niet in dit wespennest kunnen steken.

De Franse commissie-Stasi over de scheiding tussen kerk en staat waarschuwde in 2004 dat Nederland met zijn toegeeflijke houding fundamentalisme bevordert. De publieke ruimte moet vrij zijn van de dwang van fundamentalisten die de grenzen opzoeken. Een Nederlandse vmbo-leraar die weigert een hand te geven, hoort niet thuis op een openbare school. Op die manier moedigt een kleine minderheid anderen aan om zich ook van het maatschappelijke leven te isoleren. Het bezorgt de meerderheid van Turkse en Marokkaanse Nederlanders een slechte naam. „Moslims moeten niet onder elkaar blijven maar kunnen beter ook niet-moslims ontmoeten. Daar heb ik het meeste van geleerd en dat moet de overheid stimuleren”, zegt Can-Engin.