De orgie van de democratie

Of er nog grenzen zijn? In een interview vertelde Femke Halsema dat zij en André Rouvoet vriendelijk bedankt hadden voor een kinderprogramma waarin zij na een fout antwoord een stortbak vol bruine vla over zich heen zouden krijgen. Mark Rutte verklaarde in Nova spijt te hebben van een interview waar het vooral weer over zijn bleke seksleven ging. Alleen onze minister-president hield stug vol dat hij door zijn jofele presentatie van RTL Boulevard belangrijke politieke issues op de kaart had gezet bij een tot dan toe niet in politiek geïnteresseerd publiek. Het RTL nieuws wijdde meteen erna een bezorgd item aan dat optreden, compleet met deskundige, waarin werd vastgesteld dat Balkenende met zijn geginnegap achter de Boulevard-desk dan misschien wel de apathische massa bereikte, maar moest oppassen voor zijn geloofwaardigheid. Enzovoort.

Geloofwaardigheid – dat is zo’n woord. Wat je opvalt wanneer je die stroom van programma’s met lonkende politici aan je voorbij laat trekken, is het onverhulde machtsvertoon van de media zelf, de aan sadisme grenzende brutaliteit waarmee politici op televisie gekoeioneerd worden. Stupide vragen, stupide opdrachten, stupide spelletjes – het feest van de democratie is in al die programma’s verworden tot een wrede orgie van vernedering en zelfvernedering. Nergens zie je zo goed hoezeer de politiek haar geloofwaardigheid heeft verloren als aan de heerserstoon waarmee ze door de Gooise elite wordt toegesproken. De slaafsheid waarmee Nederlandse politici zich onderwerpen aan de dwingende macht van Hilversum, de onderdanige gretigheid waarmee ze hun persoonlijkheid laten inperken door weer zo’n haastig in elkaar geknutseld discussie-format (heeft u de stemkastjes gereed?) – het kost me moeite er geen pervers genoegen aan te beleven.

Bij de KRO zaten van de week de nummers twee van alle politieke partijen als opgehokte hobbykippen op een podium; ze mochten af en toe met een stembordje zwaaien en naar voren komen voor een debatje van twee minuten, waarin ze hun standpunten tot een reeks onbegrijpelijke schimpscheuten terugbrachten. Tussendoor moest er natuurlijk door de kijker veel ge-sms’t worden, er was een onvermijdelijk panel van BN’ers, en een uitzinnige zaal vol verkiezingsborden en partijsjaals. En natuurlijk mocht er meteen ook geklaagd worden over het loze gehakketak van de heren en dames politici.

Dat laatste is inmiddels een bekende truc, je dwingt politici deel te nemen aan programma’s waarin het nergens over kan gaan – te kort, te haastig, te geforceerd – en dan achteraf klagen dat het nergens over ging. Je dwingt ze in een format waarin ze als kemphanen elkaar de ogen proberen uit te pikken – en dan somber je hoofdschuddend over gekissebis en het gebrek aan inhoud. Intussen wordt de hegemonie van de mediacratie gevierd.

In plaats van een discussie aan te gaan, confronteren interviewers op radio en televisie hun gasten tegenwoordig veel liever met wat anderen over hen gezegd hebben – of ze laten hen reageren op filmpjes van henzelf in pijnlijke situaties. Televisiejournalistiek in Nederland, dat is Balkenende confronteren met het fragment waarin hij van een skateboard lazert. Liever een leuk fragment dan een goede vraag. De minister-president zelf denkt ongetwijfeld dat hij RTL Boulevard heeft gebruikt om stemmen te winnen, maar het omgekeerde is waar: hij heeft zijn positie ondergeschikt gemaakt aan de heerszuchtige onbenulligheid van Albert Verlinde. Onze minister-president is, om in het jargon van Verlinde te blijven, eigenlijk ook gewoon een hoer.

Het probleem is niet dat politici zich in verkiezingstijd aan onbenulligheid vergooien – het maakt echt niet uit of een politicus om stemmen te winnen een baby over de bol aait of voor de camera zwelgt in de op handen zijnde verloving van Jan Smit – het probleem is dat alles wat serieus is, nu onbenullig wordt gemaakt. Vorige week viel VVD-minister Henk Kamp van zijn voetstuk toen hij in gesprek bij Pauw en Witteman over Hollandse onbeschoftheid, naar aanleiding van het boekje De lompe leeuw van Binnert de Beaufort, insinueerde dat het allemaal aan de immigranten lag, die ruimden in hun eigen land ook hun troep niet op, hij had het met eigen ogen gezien. Ik weet het, binnen de VVD is er een stroming die denkt dat je superioriteit van de westerse beschaving aantoont wanneer je hardop durft te zeggen dat de ander inferieur is, maar in zijn stuitende algemeenheid was die ingehouden tirade van Kamp gewoon ouderwets racistisch. De auteur probeerde hem nog tegen te spreken, maar de uitglijder werd vermalen in de wurgende gezelligheid van het tafelgesprek – dat Beaufort een jonkheer was, dát was belangrijk.

In dezelfde week mikte de minister-president op electoraal gewin door de doodstraf voor Saddam Hussein toe te juichen, omdat hij had gezien dat een dikke 60 procent van de Nederlandse bevolking het er mee eens was. Net zoals eerder met het homohuwelijk, dat hij tijdens een bezoek aan Indonesië verloochende nog vóór de haan ook maar één keer gekraaid had, liet Balkenende ook nu weer zien dat moraal voor hem een uiterst rekbaar begrip is. Er werd voorzichtig door de oppositie gemord, een kwestie werd het niet; de actualiteitenrubrieken hadden het te druk met hun stemkastjes.

Een panikerende Wouter Bos kreeg wat meer aandacht toen hij om Turkse stemmen te winnen een handvol principes overboord gooide en het woord genocide gewoon weer wegwiste, nadat het vorige maand eerst heel principieel was opgeëist – maar een echte discussie heb ik er niet over gezien.

Kijk deze dagen een avondje Nederlandse televisie en je ziet iets merkwaardigs: een overstelpende aandacht voor alles wat politiek is, een vloedgolf van politici, een spervuur van slogans, en tegelijkertijd een ontstellend onvermogen om het nog ergens echt over te hebben.

Symbool van die hopeloze gespletenheid zijn de verkiezingsspecials van Netwerk, waarin de geloofwaardigheid van de lijsttrekkers per seconde getoetst wordt door een panel van weifelende kiezers. Hun waarderingscurve, die constant in beeld is terwijl de politicus aan het woord is, stijgt altijd, verklaren de „experts’’ in de studio ernaast, wanneer de politicus oprecht en authentiek spreekt. De makers lijken zich niet realiseren dat ze zelf heel erg hun best doen om van iedere authenticiteit een spelletje te maken. Wat er gezegd wordt doet er niet toe, het gaat alleen nog maar om de vraag hoe het overkomt. De lijsttrekkers staan erbij als willige slachtoffers, hopeloos verliefd op hun beulen.