De Italiaanse olijfolie wordt duur betaald

De olijfoogst is weer in volle gang. En voor het eerst besluiten ook wij te helpen. Met kleine harkjes gaan we langs de takken en de olijven vallen in het net onder ons op de grond. Heerlijke zachte zon, de vogels tsjilpen, een idylle, maar niet voor lang. In de vijfde boom snijdt een olijfblad een kras op mijn hoornvlies.

Bij de Eerste Hulp blijken meer olijfslachtoffers te zitten. Oude vrouwtjes kermen omdat hun mannen uit de boom zijn gevallen en met hun arm of been in het verband zitten. „Hoe moet dat nu met de oogst”, zo vragen ze zich af, want de kinderen en kleinkinderen plukken niet meer mee in Italië. „Die maken liever plezier of prikken een gat in hun arm om drugs te gebruiken”, zegt de bejaarde olijfplukker Vincenzo die een grote snee in zijn vinger heeft.

De dokters verwijzen me door naar een oogziekenhuis aan de andere kant van Rome. Daar blijkt rond het middaguur dat de artsen al zeven andere plukkers met een identieke kras op het hoornvlies hebben verpleegd. Het oog wordt voor drie dagen dichtgeplakt. Dan moet het vanzelf overgaan.

De olie wordt duur betaald. Ik vraag me af hoe dat moet met de Italiaanse olijvenoogst.

Aan de muren van de Cavour-zaal van het ministerie van Landbouw schitteren de fresco’s van het optimisme. Vruchtbare halfnaakte vrouwen balanceren met schalen druiven boven hun hoofd. Door goud zonlicht beschenen atletische mannen oogsten het graan. Maar de speeches over de olijfoogst zijn zorgelijk van toon.

De productie van olijfolie daalt voor het tweede jaar, nu met 4 procent en vorig jaar met 13,5 procent. Dit jaar zal 630 miljoen liter olie opbrengen, zo is de verwachting van de experts.

Er is ook zorg over de concurrentie uit Spanje. De efficiëntere Spanjaarden zien de oogst juist met 30 procent stijgen tot meer dan een miljard liter olie. Deze overvloed kan de prijs gaan drukken. En de oogst is al nauwelijks rendabel, ondanks de euro subsidie die een boer grofweg krijgt per geproduceerde liter olie.

„We moeten onze sterke punten beter uitspelen. Het Made in Italy is geld waard”, houdt minister De Castro het gehoor van producenten voor. „Dankzij de Italiaanse emigranten die overal in de wereld pizzeria’s en Italiaanse restaurants openden, kent iedereen de kwaliteit van de Italiaanse producten.”

De zaal knikt instemmend. De Italiaanse olie moet worden gepromoot alsof het wijn is. De klant moet worden opgevoed in het onderscheiden van kleur, geur en smaak en de producent moet betere kwaliteit leveren.

Nu nog wordt het Made in Italy-concept misbruikt, zo zeggen de minister en de producenten. Olijfolie van andere landen wordt naar Italië geïmporteerd, in Toscane gebotteld en vervolgens met handige marketing als een duurder Italiaans product verkocht. Ook de Spanjaarden weten dat. Zij maken in de VS reclame onder de slogan: ‘Koop de olijfolie waar de Italianen haar kopen: in Spanje’.

In 2004 probeerde de Italiaanse regering de echte Italiaanse olijfolie met een wet te beschermen. Maar die wet is door de Europese Unie afgekeurd, omdat deze producenten in andere landen zou benadelen. „Toch blijven we strijden voor een beschermd etiket met het label ‘made in Italy‘, zo herhaalt minister De Castro.

De slimme Toscanen hebben wel al begrepen hoe het moet. Zij persen de olijven zo snel mogelijk na de oogst, waardoor smaak en kwaliteit beter zijn. Ze ontwerpen mooie flesjes met etiketten vol poëtische teksten over herkomst, geur, kleur en bouquet van de olie. En ze vragen zomaar achttien euro per liter, drie keer zo veel als de normale prijs van een liter koud geperste extra vergine olie.

Maar hier ten zuiden van Rome is de praktijk vooralsnog een andere, zo blijkt. Bij de olijfoliemolen staat een lange rij met driewielervrachtwagentjes vol olijven. Als we, na twee uur wachten, vragen wanneer we onze 170 kilo olijven mogen persen, blijkt dat vandaag niet meer te lukken. De boertjes worden zelfs boos als ze horen dat onze olijven pas gisteren zijn geplukt: „Wat kom je hier doen? Wij hebben deze olijven al een week geleden geoogst.” We proberen een afspraak te maken voor de volgende dag. Maar pas op 4 december is er weer plek: vijf weken na de pluk!

Gelukkig heeft een vriend niet alleen stad en land afgebeld om plukkers te vinden voor zijn 170 bomen, maar ook om een beschikbare olijfoliemolen te vinden. Her en der had hij begin oktober al afspraken gemaakt. Bij een van de persen kan hij om twaalf uur ’s nachts terecht. Hij neemt de olijven mee. En de volgende ochtend staan er vijftien liter olie van zelf geplukte olijven voor de deur.

De geur is heerlijk. De smaak zacht. De kleur wel wat troebel. In de lege kist, waarin we de olijven hadden verzameld, een fraaie verzameling witte wormen. Als dat niet biologisch en Made in Italy is.