De grenzeloosheid van het kinderleven

ADHD, astma, dyslexie, autisme. Bij elke klacht hoort een naam. Ouders en onderwijzers willen weten waarom een kind zich apart gedraagt. Druk druk druk.

Jannetje Koelewijn

Een gewone schoolklas met dertig kinderen, twaalf jaar oud. Hoeveel halen na zes jaar lezen en schrijven nog steeds de d en de b door elkaar? Hoeveel kunnen niet stilzitten? Hoeveel hebben geen idee hoe ze met een ander kind moeten spelen?

Die dertig kinderen kunnen zo aanwijzen wie er in hun klas dyslectisch zijn en wie hyperactief. Die, die, die. En die. En die. En er is er ook één met autisme, zoals dat dan heet, want ‘autist’ klinkt zo hard. Of met PDD-NOS, wat een ingewikkelde naam is voor alles wat aan autisme doet denken, maar het niet helemaal is. Dat is het kind dat boos wordt als de juf de klas bij onverwachte sneeuw of zon naar buiten stuurt en niet laat rekenen. Het raakt in de war van verrassingen.

En dan zijn er nog de kinderen met een allergie voor koemelk, of kleurstoffen, of gluten. En de hoogbegaafde kinderen, die te weinig prikkels krijgen. De hoogsensitieve kinderen, die te veel prikkels krijgen. De kinderen met dyscalculie, die niet kunnen rekenen. Allemaal kunnen ze zich gedragen alsof ze hyperactief zijn.

Zo veel kinderen in elke schoolklas met een stoornis, of iets wat op een stoornis lijkt. Zou het waar zijn?

Onderzoekers kunnen beter dan vroeger vaststellen of een kind dyslectisch, hyperactief of autistisch is. Daardoor stellen ze die stoornissen ook vaker vast. In de jaren tachtig gingen ze er bijvoorbeeld van uit dat autisme en PDD-NOS voorkwamen bij vier op de tienduizend kinderen. In de jaren negentig was het twintig op de tienduizend. Nu is het bijna dertig op de tienduizend. Die cijfers komen van de kinderpsychiaters en hoogleraren Herman van Engeland van het UMC Utrecht en Jan Buitelaar van het UMC St. Radboud in Nijmegen. Zij leiden in Nederland onderzoek naar autisme en stoornissen die ermee verwant zijn.

Dertig op tienduizend. Gemiddeld één kind op elf klassen. Dat is het kind, vaak een jongen, dat extreem star is en totaal geen inlevingsvermogen of verbeeldingskracht heeft. Maar het is geen autist die ook nog zwakzinnig is, zoals veel autisten – drie van de vier. Want dan zat hij niet op die gewone school.

Concentratieproblemen met en zonder hyperactiviteit – ADHD en ADD – komen veel vaker voor, volgens Jan Buitelaar bij drie of vier op de honderd kinderen. Nog steeds slechts één kind per klas. Maar zoals dat ene kind zich gedraagt, kunnen normale kinderen zich ook gedragen. Dat is het lastige met stoornissen als dyslexie, hyperactiviteit, autisme en PPD-NOS. Er zijn veel kinderen die er wat van hebben. Alleen is het bij dat ene kind veel erger.

En de jongen die alleen maar achter de computer wil zitten en anders de hele dag door de kamer stuitert. Hyperactief? PDD-NOS? En het meisje dat overal tegenaan botst, nooit iemand aankijkt en altijd haar fietssleutels en gymspullen kwijt is? Wat is er met haar?

De stoornissen kunnen erg op elkaar lijken, en genetisch zijn er ook veel overeenkomsten. Dat maakt het nog lastiger. Maar voor ouders, juffen en meesters kan het een uitkomst zijn. Wat ze ook zien bij een kind – de bal die altijd door de ruiten gaat, het geklieder bij het schrijven, de ruzies – er is altijd een naam voor. En vaak is er wel iets van waar.

Waarom doen ouders en juffen en meesters dat zo graag, een naam geven aan gedrag dat ze vervelend vinden of waar ze zich zorgen over maken? Volgens Micha de Winter, pedagoog en hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, omdat ze moeilijk kunnen accepteren dat kinderen van elkaar verschillen en niet altijd perfect zijn. Die een of twee kinderen die ouders krijgen, moeten slim, sociaal, sportief, creatief en muzikaal zijn. En ook nog aantrekkelijk. Dom, of lomp, of verlegen, of onaardig – dat kan niet. Daar moet iets achter zitten. Dat moet dyslexie of ADHD of PDD-NOS zijn.

Micha de Winter vindt dat typerend voor deze tijd. Mensen zeggen dat hun kinderen zich in alle vrijheid moeten kunnen ontplooien, dat ze moeten kunnen worden wie ze zijn. Maar de grenzen voor wat ze bij hun kinderen normale en gewenste eigenschappen vinden, zijn volgens hem nog nooit zo nauw geweest. De Winter zegt dat maar één van de tien kinderen die hyperactief worden genoemd daadwerkelijk een stoornis heeft.

Wat is er met die andere negen? Die vervelen zich. Of ze kunnen hun energie niet kwijt, omdat ze geen gymles meer krijgen en ze niet kunnen buitenspelen. Smalle stoepen, te veel auto’s. Of het is de opvoeding. De grenzen voor wat ouders bij hun kinderen normale en gewenste eigenschappen vinden kunnen dan nauw zijn. Maar de grenzen die ouders zelf aan het gedrag van hun kinderen stellen zijn vaak helemaal niet nauw. Micha de Winter vindt dat ook typerend voor deze tijd.

Hij is niet de enige. Wietse Kuis, arts en hoogleraar in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht, organiseerde begin november een symposium dat voor een groot deel daarover ging: ‘Kind in een veranderende wereld’. De grootste verandering is volgens hem de grenzeloosheid waarin kinderen nu leven.

Hun kamer is grenzeloos door internet en mobiele telefonie. Hun ouders weten niet meer goed wat het is om vader of moeder te zijn, wat er van hen verwacht wordt. Wietse Kuis vindt dat ook een vorm van grenzeloosheid. Het valt hem op dat ouders in de spreekkamer vaak vragen of ze ‘je’ en ‘jij’ tegen hem mogen zeggen. Ouders willen vrienden met hem zijn. Ze willen ook vrienden met hun kinderen zijn. Ze durven geen nare dingen tegen hen te zeggen. Een injectie? Een operatie? Dat moet de dokter zelf zeggen.

Maar kinderen worden wel rustig van grenzen. Dat begint al meteen na de geboorte. In het Wilhelmina Kinderziekenhuis werd onderzocht of jonge baby’s minder huilden als ze werden ingebakerd. Dat was zo. Ze gingen ook veel minder huilen als er een vast ritme was van slapen, verschonen, voeden, spelen – ook in hun eentje – en weer slapen. Goed ingestopt onder een dekentje en zonder ronddraaiende mobile boven hun hoofd.

Micha de Winter zegt dat veel ouders zelf zijn opgevoed met het idee dat grenzen belemmerend zijn. Daardoor weten ze niet wat ze moeten zeggen als hun kinderen uren televisie kijken of spelletjes doen op hun computer. Of als hun kinderen het onzin vinden ’s avonds voor twaalf uur thuis te zijn. Ouders bieden te weinig tegenwicht, zegt hij. Ze denken dat hun kinderen zelf wel kunnen uitmaken wat het beste voor hen is. Kinderen moeten zelf maar kiezen. En dan valt er door vrijheid en welvaart ook nog steeds meer te kiezen. Wat weer nieuwe problemen oplevert.

Terug naar die schoolklas met dertig kinderen, twaalf jaar oud. Hoeveel zijn er te dik? Van de jongens: één op zeven. Van de meisjes: één op vijf. En dat is niet omdat hun ouders of hun juf of meester dat vinden. Dat zijn feiten.

Ze komen van Remy Hira Sing, hoogleraar jeugdgezondheidszorg aan het VU medisch centrum in Amsterdam. Hij doet al jaren onderzoek naar overgewicht bij kinderen. Hij vindt het een groot public health-probleem, omdat de gevolgen zo ernstig zijn. Dikke kinderen kunnen op jonge leeftijd ouderdomsdiabetes krijgen, hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, galstenen, spataderen, kanker, versleten gewrichten, depressie.

Er zijn ouders die denken dat hun kind dik wordt door een schildklierstoornis of een andere ziekte. Soms is dat zo. Maar veel vaker is de oorzaak ook hier grenzeloosheid. Volgens Remy Hira Sing zou het al veel schelen als kinderen niet zo veel televisie keken en achter de computer zaten. Een wetenschappelijk bewijs heeft hij daar niet voor, maar hij ziet steeds dezelfde samenhang. Minder televisie, minder dik.

Maar dan moet er wel een vader of moeder zijn die zegt dat de televisie uit gaat. En die vader en moeder moeten hun kind ook leren niet de hele dag door te eten en te drinken. Vaak moeten die vader en moeder dat eerst zelf nog leren. Dat is niet gemakkelijk als er altijd van alles te eten en te drinken wordt aangeboden. En als er ook nog overal roltrappen en liften zijn, en iedereen er steeds meer aan gewend raakt de auto te nemen en niet meer te lopen of te fietsen.

Hans Brug, voedingskundige en hoogleraar aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, zegt dat het door de evolutie komt. Geen kans om te eten voorbij laten gaan en nooit onnodig bewegen. De mensen die dat deden, hadden de grootste kans op overleven. Ga daar maar eens tegenin. Ouders kunnen dat niet alleen, zegt Hans Brug. Daarvoor zijn veranderingen in de hele samenleving nodig. Voetbalvelden, fietspaden, brede stoepen, niet overal auto’s, geen brainwashing door fabrikanten die zeggen dat er in hun yoghurtdrank en graanontbijt (met honing of stukjes chocola) en mueslibars zo veel vitaminen en bouwstoffen zitten. En op school geen snoep- en frisdrankautomaten.

Wat is de boodschap? Meer rust. Meer regelmaat. Zelfbeheersing. Matigheid. Maar niet terug naar de jaren vijftig, zegt Micha de Winter. Niet weer je mond houden en doen wat je ouders je zeggen. Ouders moeten wel praten met hun kinderen, argumenten uitwisselen, uitleg geven. En dan zelf beslissingen nemen. Ze moeten daar niet bang voor zijn. Wietse Kuis zegt dat ook. Ouders moeten ouders durven zijn.