‘De deur naar tirannie staat open’

Als folteren nodig is om de oorlog tegen het terrorisme te winnen, wat is dat dan voor overwinning, vraagt VN-commissaris Louise Arbour zich af. „Dan zijn we niets beter dan zij.”

‘Mijn grootste frustratie over de oorlog tegen het terrorisme is dat er haast geen informatie is. Westerse regeringen, die vroeger redelijk open waren over de mensenrechten in hun land, houden de lippen nu stijf op elkaar. Ik word geacht om toezicht te houden op de situatie van de mensenrechten overal ter wereld. Te zorgen dat internationale verdragen worden nageleefd. Schendingen te veroordelen. Maar hoe kan ik in vredesnaam een oordeel vellen over de vraag of de middelen die in de oorlog tegen het terrorisme worden toegepast in orde zijn of niet, als ik geen feiten krijg?”

Op de tweede verdieping van het perzikkleurige Wilson-paleis in Genève, met een magnifiek uitzicht op de fontein in het meer en de witte toppen van de Mont Blanc, vertelt Louise Arbour wat er gebeurt als zij, hoge VN-commissaris voor de mensenrechten, westerse ministers of hoge regeringsfunctionarissen simpele vragen stelt over de terreurbestrijding. Vragen als: is het waar dat er geheime detentiecentra zijn waar mensen die van terrorisme worden verdacht, worden ondervraagd en vastgehouden? Is het waar dat u ook verdachten terugstuurt naar landen waar ze gefolterd kunnen worden? Klopt het dat u zélf ondervragingstechnieken toepast die volgens de internationale verdragen die u hebt ondertekend, verboden zijn?

De antwoorden, zegt zij, zijn altijd dezelfde. „Ze kijken me aan en zeggen: ‘U moet ons vertrouwen’. Of: ‘Onze veiligheidsdiensten vertellen ons dat er constant terreurdreigingen zijn’. Of: ‘Mevrouw, als u wist wat wij weten, dan zou u ons deze vragen over mensenrechten niet stellen’. Ik vind dat onacceptabel. De zogenaamde oorlog tegen het terrorisme is ontketend om onze democratieën te beschermen. Maar deze zwijgzaamheid over de manier waarop die oorlog wordt gevoerd, tast de wortels van die democratie juist aan. Hoe kun je een democratie runnen, als je als regering geen enkele verantwoording wilt afleggen over vitale beleidsbeslissingen als deze?”

Louise Arbour (Montreal, 1947), die tot haar benoeming in 2004 rechter was bij het Canadese Hooggerechtshof en daarvoor aanklager bij de Joegoslavië- en Rwanda-tribunalen, weigert namen te noemen van landen die haar op deze manier met een kluitje in het riet sturen. Anders dan een van haar voorgangers, de voormalige Ierse president Mary Robinson, gelooft zij niet dat het zin heeft om landen constant publiekelijk in de hoek te zetten. Zo jaag je ze onnodig tegen je in het harnas, vindt ze, waardoor ze alleen nog maar minder met je samenwerken. Robinson, weet zij, trad in 2002 mede om die reden zwaar ontgoocheld af. Robinsons opvolger en Arbours directe voorganger, de soms ook nogal uitgesproken Braziliaan Sergio Vieira de Mello, liet in augustus 2003 het leven bij de aanslag op het VN-hoofdkwartier in Bagdad.

Tot een gesprek over de terreurbestrijding in het algemeen is Arbour wel te verleiden. Ze heeft er duidelijke meningen over, en die ventileert ze ook. Als we niet oppassen, vindt zij, is de oorlog tegen het terrorisme net zo’n aanslag op de fundamenten van de democratie – waar respect voor de mensenrechten en burgerlijke vrijheden essentiële pijlers van zijn – als de terreur zelf.

Hét debat draait op het moment, vooral in de VS en Europa, om de vraag waar onze vrijheden ophouden en waar onze veiligheid begint. Hoeveel van die vrijheden kunnen we opofferen aan onze veiligheid?

„Die vraag stellen we ons altijd, ook in minder woelige tijden. Als er een kind gekidnapt wordt of vermoord, vragen mensen zich onmiddellijk af: hebben we wel de goede wetten? Daar komt dan een debat over, in de pers, in het parlement. We zijn constant bezig om onze wetten te verfijnen en aan te passen. Men denkt weleens dat vrijheid en veiligheid strijdig zijn met elkaar. Dat is niet zo. Beide zijn menselijke aspiraties: mensen willen vrij zijn én veilig zijn, en regeringen worden geacht voor beide te zorgen. Je zoekt een balans. Normaal, in een goede democratie, is de vraag altijd: hoeveel van onze eigen vrijheid offeren we op aan onze veiligheid? Maar sinds de aanslagen van 11 september 2001 luidt die vraag vooral: hoeveel van de vrijheid van anderen offeren we op aan onze veiligheid? De vraag is verwrongen, geperverteerd. We zijn bijna hysterisch bezig veiligheidsmaatregelen te nemen ten koste van anderen.”

We offeren toch zelf ook vrijheden op?

„Jawel. We worden ook steeds strenger gecontroleerd als we bijvoorbeeld een vliegreis willen maken. Maar anderen betalen een veel hogere prijs dan wij. Zij verliezen veel meer vrijheden.”

Doelt u op mensen met een Arabische naam, die steeds moeilijker visa kunnen krijgen voor westerse landen, op burgers in Afghanistan en Irak die sinds de Amerikaanse inval…

„Ik doel op ‘racial profiling’ bij het verstrekken van visa, op het feit dat mensen jarenlang worden vastgehouden zonder enige vorm van proces en op het gebruik van getuigenissen die door foltering zijn afgedwongen, om maar een paar zorgelijke aspecten te noemen. Ik kan niet geloven dat wij onze toevlucht weer nemen tot foltering: een primitievere en onbetrouwbaardere methode om informatie in te winnen bestaat er niet. Wat erger is: als dit de methodes zijn om de oorlog tegen het terrorisme te winnen, wat voor overwinning is dat dan? Want als we dit doen, zijn we niets beter dan zij. Ik wil niet gedwongen worden om te kiezen tussen terroristen of folteraars. Wat voor keus is dat? Geen van beiden heeft mijn sympathie.’’

De Amerikaanse regering wil het begrip ‘foltering’ opnieuw definiëren om veiligheidsagenten meer vrijheid te geven in de jacht op terroristen.

„Sinds 9/11 staan alle regeringen voor een formidabel juridisch dilemma, dat zie ik ook wel. Dat sommige wetten moeten worden aangepast aan de nieuwe omstandigheden, is waarschijnlijk onvermijdelijk. Maar foltering is volgens een internationaal verdrag verboden, punt uit. En de normale gang van zaken in een gezonde democratie is dat wetten en regels pas kunnen worden aangepast na een grondig, publiek debat tussen de regering, het parlement, de pers en belangengroepen. De regering heeft de plicht om feiten op tafel te leggen, zodat iedereen zich een grondige mening kan vormen over het onderwerp. En dat gebeurt in de oorlog tegen het terrorisme niet of nauwelijks. Regeringsfunctionarissen maken hysterische analyses, maar als je ze om feiten vraagt, hullen ze zich in stilzwijgen.”

Ook de Europeanen? U heeft ze ongetwijfeld gevraagd of ze wisten van de CIA-vluchten met terreurverdachten aan boord, die in Europa zouden zijn geland.

„We wisten dat er Europese regeringen waren die niet scheutig waren met informatie over hun eigen en andermans activiteiten. Er was bij hen duidelijk een wil om mee te doen aan die geheimzinnigheid. Ik denk dat dit achteraf verkeerd zal blijken. Ik erken dat er grenzen zijn aan de hoeveelheden gevoelige informatie die je zomaar op straat kunt gooien. Maar niet alles moet geheim blijven onder het kopje ‘nationale veiligheid’.”

U bedoelt: dat wordt als dekmantel gebruikt?

„Ik heb het laatst in een lezing op Chatham House in Londen gezegd, en ik zeg het nu weer: de jacht op verdachten van terrorisme lijkt zich erg weinig aan te trekken van het straf- en internationale recht zoals wij dat kennen. Wat essentieel is aan dit recht, is dat het regeringen beperkt in hun macht om verdachten te ondervragen, te vervolgen en te veroordelen. Als dit recht niet wordt gerespecteerd, staat de deur naar de tirannie open.”

U heeft de Amerikanen één keer gevraagd om het detentiekamp op Guantánamo te sluiten. U heeft het bestaan van geheime CIA-kampen één keer veroordeeld. En één keer heeft u zich publiekelijk uitgesproken tegen het terugsturen van terreurverdachten naar landen waar ze gefolterd kunnen worden. Mensenrechtenactivisten vinden dat u te spaarzaam bent in uw kritiek.

„Dat weet ik. Maar mijn rol is om samen met regeringen naar oplossingen te zoeken. Als ik openlijk naar ze uithaal, bemoeilijk ik die samenwerking. Daarom doe ik het meestal achter de schermen, in brieven aan regeringen of gesprekken met ambassadeurs. Daarbij: dit is een onderwerp dat niet morgen van tafel verdwijnt. Ik denk dat het effectiever is als ik soms, op een strategisch moment, iets belangrijks zeg dan dat ik mezelf continu herhaal.”

Werkt dat, achter de schermen?

Ze zucht. „Moeilijk te zeggen. Als je ergens één man uit de gevangenis wilt krijgen, is het resultaat snel te meten: het is gelukt of niet. Maar de strijd tegen het terrorisme of voor de mensenrechten in China zijn processen van lange duur. Ik was laatst in China op uitnodiging van de regering. Ik wilde dat ze het internationale convenant voor burgerlijke en politieke rechten accepteren. Het is me gelukt om de regering zover te krijgen dat we samen naar die acceptatie toewerken. Ik had niet kunnen gaan uit protest tegen mensenrechtenschendingen daar. Of wel kunnen gaan, maar dan hard uithalen. Maar ik weet niet of ik dan hetzelfde had bereikt.”

En bij de terreurbestrijding?

Ze zucht opnieuw. „Ik heb, laten we zeggen, nuttige discussies met regeringen, die ik vast niet zou hebben als ik steeds tegen ze zou schreeuwen. Of ik ze ook overtuig, weet ik niet. Gelukkig zijn er in een aantal westerse landen goede, onafhankelijke rechtbanken die zich ook al buigen over, bijvoorbeeld, de vraag of verdachten van terrorisme zomaar teruggestuurd kunnen worden naar landen waar ze gefolterd worden.”

De mensenrechtenkampioenen van weleer, de Europeanen, laten u in dit opzicht ook in de steek. Tijdens de laatste zitting van de VN-Mensenrechtencommissie, afgelopen voorjaar, diende Cuba een resolutie in die de Amerikanen opriep om onder andere inspecties op Guantánamo toe te laten. Hoewel die resolutie dezelfde strekking had als een besluit van het Europees Parlement, stemde de hele EU toch tegen. Het argument was: Cuba laat zelf ook geen inspecties toe.

„Ik heb de Europeanen gezegd dat ik diep teleurgesteld was dat ze toen politiek hebben gestemd en niet over de inhoud van de resolutie. Want van wie de tekst ook kwam, hij was inhoudelijk belangrijk. De Europeanen beschuldigden iedereen in de commissie ervan dat ze politieke spelletjes speelden, en nu deden ze het zelf. Maar de commissie is intussen vervangen door een nieuwe mensenrechtenraad. Hopelijk gaat het nu beter.”

Lijkt het daarop? De EU heeft de mond vol over mensenrechtenschendingen op Sri Lanka, maar stemde laatst in die raad tegen resoluties die schendingen door Israël in Libanon en Palestina veroordeelden. Die resoluties kwamen van islamitische landen en waren niet bijster genuanceerd, maar toch: de Europeanen lijken minder consequent dan vroeger.

„Ja, tijdens de eerste zittingen van de raad viel iedereen terug in zijn oude slechte gewoontes. Er is politisering aan beide kanten, terwijl het over mensenrechten moet gaan. Dat is verergerd sinds 9/11. De aanslagen, en de reacties daarop, hebben het mensenrechtendebat tien jaar teruggegooid in de tijd.”

Raakt u niet hopeloos gefrustreerd?

Aarzelend: „Ik denk dat absolute repressie, een absolute War on Terror niet de manier is om terreur te bestrijden. Het drijft een wig tussen twee werelden. Het is steeds meer ‘wij’ tegenover ‘zij’. Er worden op dit moment veel verkeerde analyses gemaakt en heel veel verkeerde beslissingen genomen. Wat mij vooral frustreert, is dat we niet eens goed weten welke.’’