Brabantse botten met breuken

In het stuk over het onderzoek aan skeletten door Nico Arts, gemeentelijk archeoloog van Eindhoven wordt onder meer het vinden van spoelworm- en zweepwormeieren vermeld (NRC Handelsblad, wetenschapspagina 9 november) . Volgens de heer Arts zou het vinden van deze wormeieren duiden op het eten van bedorven voedsel. Dit nu is volstrekt onjuist. Beide parasieten hebben dikwandige eieren die via de faeces worden uitgescheiden. Na geruime tijd ontwikkelen ze tot een infectieus ei met daarin een larve. Deze infectieuze eieren zitten dus verspreid in de bodem of waar ze verder ook terecht komen, maar specifieke transmissie via voedsel is er niet. De dikwandigheid van de eieren helpt wel bij het terugvinden in archeologische sites, een zeer bekend fenomeen waarover veel gepubliceerd is. Wij hebben gedurende vele jaren materiaal uit een middeleeuwse Utrechtse beerput gebruikt voor practica voor studenten Diergeneeskunde.

Volgens het artikel worden de eieren vaker bij minder draagkrachtigen gevonden dan bij welgestelden. Ik hoop dat dit berust op uitgebreide bemonstering, zodat er een goede statistische onderbouwing voor deze conclusie is. Worminfecties zijn namelijk zeer ongelijk verdeeld in gastheerpopulaties, waarbij het overgrote deel van de parasitaire biomassa te vinden is in een klein deel van de gastheerpopulatie. Toevallige bemonstering van enkele zeer zwaar besmette armen kan dus, wanneer niet voldoende monsters onderzocht zijn, tot verkeerde conclusies leiden. Overigens zijn er wel redenen te bedenken waarom armen inderdaad zwaarder besmet zouden kunnen zijn. Ze hebben ongetwijfeld veel dichter opeen en onder minder hygiënische omstandigheden geleefd dan de rijken. Bovendien zouden ze door ondervoeding een minder goede algemene weerstand tegen infecties kunnen hebben, en zo zijn er nog wel enkele aan armoede gerelateerde zaken te bedenken. Misschien dat het archeologische materiaal uitsluitsel kan geven over specifieke redenen voor een verschil, maar men moet wel terughoudend zijn met het trekken van conclusies. Interessant is dat er verkalkte cysten van de honden- of vossenlintworm zijn gevonden. Het maakt echter wel uit of het om lintwormen van de hond of de vos gaat. Wanneer het om E. granulosus gaat, met de hond als belangrijkste eindgastheer, zijn niet het eten van bramen of bessen, maar lichamelijk contact met de hond, of met hondenpoep, de grootste risicofactoren voor het opdoen van infecties. Wanneer het, wat mij minder waarschijnlijk lijkt, inderdaad om de vossenlintworm E. multilocularis gaat, zijn de risico`s vooral contact met vossen, maar ook inderdaad het eten van voedsel dat in contact kan zijn geweest met vossenpoep.

Ik hoop dat deze parasitologische onnauwkeurigheden niet representatief zijn voor de kwaliteit van de rest van het werk.