Bijbels paradijs

Ze woont tussen godvrezende mensen en ze voelt zich een zwart schaap: Denise Rebergen (16) is liever gelukkig op aarde

Denise Rebergen

Het geklik van ouderwetse blokhakken galmt door de straten. In gelijkmatig tempo schuifelen de in zwart gehulde mensfiguren in noordelijke richting. De kerkklokken luiden. De bedekselde hoofden buigen dieper en dieper richting de grond. Lijkbleke handen omklemmen met zichtbare kracht de Bijbels en psalmboeken, alsof het houten brokstukken zijn, drijvend in de zee na een allesverwoestende schipbreuk, en de enige minuscule kans op overleving. ‘Waarheen leidt de weg’ fungeert als soundtrack van de setting. Al is dat alleen in mijn hoofd, want eigenlijk is er niemand dood. Integendeel. Dit zijn de mensen die het eeuwige leven zullen kennen. Dit zijn de mensen die leven naar de wil van God, en zo dadelijk in hun blote kont mogen genieten aan de Costa van het bijbelse paradijs.

Als die-hard Bible Belt-bewoner ben ik een rampzalige mislukking. Een zwart schaap binnen de goddelijke community. Met mijn vrije opvoeding en de beschikking over ieder gewenst elektronisch amusement, leid ik immers een schandalig bestaan. Mijn idee van zwarte kousen bestaat alleen in combinatie met onzedelijk korte rokjes en in de vroege zondagse ochtenduurtjes zijn de enige kerkklokgelijkende geluiden die ik hoor, die van klinkende bierglazen. Bovendien zijn homo’s mijn beste vrienden, ben ik principieel tegen bejaardenseks na het huwelijk en floept Gods naam nog wel eens in ongelukkig verband uit mijn mond. Aan het einde van mijn aardse bestaan zal mij de toegang aan de hemelpoort vast en zeker harteloos worden geweigerd, waarna ik voor eeuwig zal branden in de hel. Toch ben ik geen ongelovig persoon. Heilig geloof ik in leven na de dood, en beschouw ik de mensen die er van overtuigd zijn dat wij menselijke rampfiguren de machtigste bestaansvorm zijn, als primitief onwetende sukkels.

Het liefst beschouw ik mezelf niet als een primitief onwetende sukkel, maar in hoge uitzondering zijn dergelijke offers te overwegen. Mocht ik aan het einde van mijn leven keurig voor de hemelpoort staan te wachten tot God me binnenlaat in zijn beloofde paradijs, en lacht hij dan triomfantelijk terwijl hij zegt: „Sorry Denise, in dit dossier staat dat jij geregeld slecht geacteerde soapseries keek. Veel plezier daar beneden”, donder ik pontificaal van mijn geloof. Mij is immers altijd wijs gemaakt dat God toegang heeft tot de meest duistere gebieden van ons aardse wezens, maar wat heeft hij aan oprechte gevoelens, als geloof slechts draait om onzinnige regeltjes? En wat hebben wij aan ons aardse leven, als we alleen bezig zijn met het eventuele leven daarna? Als je het mij vraagt, is God dan een oppervlakkige eikel, en zou ik zijn bestaan nog negeren als hij recht voor mijn neus stond, laat staan dat ik aan zijn persoonlijke paradijselijke Costa zou willen zitten. Doe mij dan maar een behaaglijk vuurtje.

Terwijl de rouwstoet statig voorbij schuift, vang ik een korte blik. De ogen van de vrouw zijn angstig en leeg, al straalt er een klein straaltje hoop door haar ingeslikte tranen heen. Terwijl ze afkeurend naar mijn gerafelde spijkerbroek staart, besef ik de keuze die we beiden maakten. Zij koos voor donker en droevig leven op aarde, met het overweldigende geluk in haar hoopvolle vooruitzicht. Ik kies voor een zo gelukkig mogelijk leven op aarde. En al geloof ik zelf van niet, alle eventuele risico's neem ik op de koop toe. Rustig wandel ik terug naar binnen en plof gemakkelijk onderuit op de bank. Even aarzel ik voor ik de tv aanzet, dan overstemt de tune van As the world turns ieder ander geluid. Ach, de Spaanse Costa’s zijn ook best leuk.