Aanval geopend op clusterbommen

Omdat op VN-ontwapeningsconferenties zo weinig gebeurt, hebben dertig landen nu besloten zelf een verdrag tegen clusterbommen te gaan sluiten. Clusterbommen maken veel burgersslachtoffers.

Gisteren, op de slotdag van een internationale ontwapeningsconferentie, liep er een onontplofte clusterbom in het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in Genève. Sommige vertegenwoordigers uit de honderd landen bij de conferentie keken geïrriteerd naar deze mensenrechtenactiviste in haar metallic omhulsel. Anderen vroegen zich geamuseerd af of ze zou ontploffen. „Het zou jammer zijn als ze ons over de kling joeg, nu wij met een paar landen eindelijk gaan onderhandelen over een verdrag dat het gebruik van clusterbommen aan banden moet leggen.”

Op VN-ontwapeningsconferenties gebeurt de laatste jaren bitter weinig. Zo weinig, dat ongeveer dertig landen, waaronder 23 Europese, gisteren aangekondigd hebben om maar buiten de conferentie om een verdrag te sluiten over beperking van het gebruik van clusterbommen. Noorwegen, dat als eerste land ter wereld in 2006 een moratorium afkondigde voor clusterbommen, nam het initiatief. In februari moeten de onderhandelingen in Oslo beginnen. Nederland, dat een sleutelrol speelde bij het internationale verbod op landmijnen in 1997 en bij een recentelijk beperkend protocol over niet-ontplofte oorlogsresten in het algemeen, ontbreekt.

Clusterbommen zijn bommen met vaak honderden kleine bommetjes erin die meestal vanuit vliegtuigen worden afgeworpen. Eén bom bestrijkt ongeveer een voetbalveld. Ze dienen om tankcolonnes of artillerieposities uit te schakelen of snel een landingsbaan onbruikbaar te maken. Maar clusterbommen maken veel burgerslachtoffers, en niet alleen meteen als ze zijn afgevuurd: doordat 20 tot 40 procent van de submunitie niet ontploft, doden ze nog jaren na een conflict burgers. Volgens de actiegroep Handicap International was 98 procent van alle geregistreerde slachtoffers tussen 1973 en 2006 burger.

„Oorlogen worden steeds minder met tanks uitgevochten. Er zijn steeds vaker guerrilla-achtige groepen bij betrokken die niet op een slagveld, maar vanuit woongebieden opereren. Conventionele legers moeten om humanitaire redenen geen clusterbommen meer gebruiken”, vindt Simon Conway, directeur van Landmine Action in Londen, voormalig soldaat én ontmijner. „Maar landen die ze maken en gebruiken, zoals de VS, Groot-Brittannië, Rusland en China, weigeren op de ontwapeningsconferentie al vijf jaar te onderhandelen over een beperkend verdrag. Daarom ben ik blij dat sommige landen nu buiten de conferentie om in actie komen.”

Niet-gouvernementele organisaties pleiten hier allang voor. Maar pas sinds de NAVO-bombardementen op Kosovo en de oorlogen in Afghanistan en Irak zijn clusterbommen een politiek thema geworden. Aanleiding voor het Noorse initiatief was de oorlog in Libanon, deze zomer. Volgens VN-wapenexperts kwamen daar tussen de 2,5 en vier miljoen stuks submunitie neer – merendeels in en rond dorpen. Van deze bommen dropte het Israëlische leger 90 procent in de laatste 72 uur van de oorlog. Bijna 40 procent is niet ontploft. Elke dag sterven tussen de twee en drie mensen die nietsvermoedend op zo’n bommetje stuiten. Het kost jaren om de explosieven op te ruimen. In Laos, het land waar de meeste clusterbommen ter wereld liggen, is de oorlog al decennia voorbij. Dat niet-reguliere groeperingen als Hezbollah ze nu óók gebruiken, baart velen extra zorgen.

„Wij moeten nu maatregelen nemen om dit menselijk lijden te beëindigen,” zei de Noorse minister van Buitenlandse Zaken, Jonas Gahr Stoere, gisteren. Hij verwoordde daarmee een verontwaardiging die in steeds meer parlementen opklinkt sinds Libanon – óók in Nederland, dat clusterbommen gebruikte in Kosovo en, vermoeden sommige parlementariërs, wellicht in Afghanistan. Maar op de ontwapeningsconferentie in Genève, waar besluiten bij consensus worden genomen, wilden veel landen er niet over onderhandelen. Om dertig ‘dissidente’ landen binnenboord te houden, stelde Groot-Brittannië voor om in 2007 een paar dagen alleen maar over clusterbommen te praten. Dat voorstel, dat een paar weken geleden nog onbespreekbaar was, werd aangenomen. Maar doorpraten zonder verdrag als einddoel was de Noren en de anderen te vrijblijvend.

Dat landen op eigen houtje een verdrag sluiten dat in een VN-ontwapeningsconferentie onbespreekbaar is, heeft een geslaagd precedent: het verbod op anti-persoonsmijnen kwam er in 1997 ook in klein verband (in Ottawa, op Canadees initiatief) omdat het op de conferentie niet lukte. Intussen zijn daar 152 landen bij aangesloten. Ook de VS en Israël, géén ondertekenaars, gebruiken deze mijnen niet meer.

De dertig landen, waaronder clusterbommenproducenten als Zwitserland, willen fabricage, opslag, gebruik van ‘onbetrouwbare’ bommen verbieden. Maar zelfs als 99 procent van de clusterbommen in Libanon was ontploft, bleven er daar nog 25.000 tot 40.000 onontplofte over. Daarom willen ze ook strikte beperking van de doelen waarop clusterbommen kunnen worden afgeworpen.