Wat willen wij van een minister van Cultuur?

In een ideale wereld is een minister van Cultuur zélf kunstenaar of kunstkenner. Maar hoe denkt de echte wereld in de aanloop naar de verkiezingen daar over? En is kunst wel gebaat bij krachtig besturen?Een rondgang.

tel dat.

Of zoals de hoofdletterloze Engelse dichter e.e. cummings schreef: suppose.

Stel dat de functie van minister van Cultuur een post was met een sollicitatieprocedure en een functieomschrijving.

cummings: ‘suppose/ Life is an old man carrying flowers on his head.’

Wie zou er op gesprek mogen komen voor de vacature, en hoe zou de functieomschrijving eruitzien? Wat stelt de sollicitatiecommissie voor eisen, wat zijn de doelen? Stel dat. Hoe zou het verlopen? Naar wie gaan, na de Kamerverkiezingen van 22 november en de kabinetsformatie, de bloemen?

Bij cummings is de verbeelding aan de macht: het leven ontmoet de dood, in een café, zoals de verteller zich voorstelt: ‘young death sits in café/ smiling, a piece of money held between/ his thumb and first finger’.

Zal hij bloemen kopen, vraagt de verteller aan een tweede persoon. De dood is jong, maar ‘leven draagt een broek van pluche/ leven wankelt leven heeft een baard’.

In een ideale, poëtische wereld

houdt de minister van Cultuur oprecht van kunst. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat je harp speelt, de ex-bassist van Kayak bent of bestuurslid van theatergroep Mug met de Gouden Tand. Dat gold voor de laatste drie staatssecretarissen, respectievelijk Medy van der Laan, Cees van Leeuwen en Rick van der Ploeg. Of beter nog: hij is dichter, zoals Van der Ploegs voorganger, Aad Nuis.

Wat zegt dat? De verwachting in 1994 dat de verbeelding aan de macht kwam, dat misschien zelfs de Nederlandse variant van Jack Lang was aangetreden, de flamboyante Franse minister van Cultuur, maakte Nuis niet waar. Zijn rapportcijfers waren degelijk, maar zijn optreden werd na vier jaar ook kleurloos en weinig spectaculair genoemd. En wat heb je eraan als je een bewierookte nota over cultuurbeleid schrijft – zoals Nuis deed met Pantser of ruggegraat – maar geen beslissingen kan forceren? Zoals Melle Daamen, toenmalig directeur van de Mondriaanstichting, in 1998 concludeerde over de periode Nuis: „Hij kan knap uitleggen waarom cultuur belangrijk is, maar het bleef wel abstract wat hij zei. Een goed betoog in de Kamer is iets anders dan op een departement je zin krijgen.”

In een ideale poëtische wereld

beschikt de minister van Cultuur over een baaierd aan positieve eigenschappen, die beslist fraaier gekleurd zijn dan die van een ordinaire vakminister. Hij beheerst één van de klassieke kunsten: speelt dus piano, componeert epische gedichten, beoefent met gratie en welluidendheid een rol in de jaarlijkse Beckett-opvoering van zijn toneelclub of fotografeert niet onverdienstelijk adolescenten met een genderdilemma op het strand.

Zijn uitgebreide netwerk laat hem niet gauw in de steek, zijnde de vrucht van zijn jarenlange ervaring als bestuurder, als lid van commissies en werkgroepen. Hij kan rekenen. Hij is een persoonlijkheid met creatieve oplossingen voor dichtgeslibde discussies, vastgeroeste stellingen en onoverbrugbaar genoemde meningsverschillen. Hij is representatief, recht door zee en staat pal voor zijn beleid. Hij is jong en vreest niet de onorthodoxe gedachtegang, van zichzelf of anderen. Hij is waarschijnlijk een vrouw.

Zo kwam men in 1989 uit bij Hedy d’Ancona.

In een ideale poëtische wereld

beschikt de minister van Cultuur over een waaier aan opwindende eigenschappen, die beslist eigentijdser zijn dan van een ordinaire vakminister. Hij is dol op nieuwe media, heeft een eigen website, slaat geen Crossing Border-festival over, downloadt de muziek voor zijn iPod na luistertips bij YouTube of heeft een eigen musicalbedrijf. Hij vindt een ministerschap een leuk uitstapje van zijn maatschappelijke carrière, wordt geroemd om zijn organisatietalent, is een gevreesd debater en maakt geen onderscheid tussen Albert en Hamlet. Hij is graag op tv. Hij heeft een open oog en oor voor de culturele diversiteit van deze samenleving en onderkent het belang van lobbygroepen. Hij is goedgebekt en vreest niet de onorthodoxe gedachtegang van zichzelf, of van anderen. Hij is waarschijnlijk niet geboren in Nederland.

Zo zou men in 2007 wel eens kunnen uitkomen bij John Leerdam. Leerdam is PvdA-woordvoerder cultuur, heeft Surinaamse ‘roots’ en kent als ex-leider van Theater Cosmic de kunstwereld goed. Ook de naam van de Amsterdamse PvdA-wethouder Ahmed Aboutaleb wordt gefluisterd.

Maar waarom, om te beginnen,

een minister van Cultuur? Hedy d’Ancona was in 1994 de laatste minister van Cultuur, als hoofd van het toenmalige departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Daarna werd de politieke baas van de cultuur een staatssecretaris. De roep om een minister is al die jaren niet verstomd. Het is van belang dat de hoogste cultuurbaas aanschuift bij het kabinetsberaad om op gelijk niveau mee te praten. En niet alleen als-ie een nota moet verdedigen. Mirjam Koen, artistiek leider van het Onafhankelijk Toneel in Rotterdam: „Een ministerschap geeft het belang en de waarde aan van kunst binnen een cultuur. Een cultuur die zichzelf respecteert, koestert intellect en kunstenaarsschap.” Het gaat ook helemaal niet om de eigenschappen van een eventuele kandidaat voor de post die interessant is, zegt Melle Daamen, alweer vijf jaar directeur van de Amsterdamse Stadsschouwburg. „Alleen de politieke kracht telt. Iemand met gezag. Dat hangt ook samen met welke partij de kandidaat levert.”

Daar komt ook Bert Holvast van de Federatie van Kunstenaarsverenigingen op uit. Hij noemt de huidige invaller, minister Van der Hoeven, „een verademing”. „Ze is gedwongen zich tot hoofdlijnen te beperken, en heeft als lid van het kabinet invloed op andere sectoren. In de paar keer dat ik haar nu sprak toont ze betrokkenheid. Natuurlijk is het ook een ijdele schooljuf, maar ze is een kopstuk van een grote partij. Dat is belangrijk, want we hebben vooral een goede politicus nodig.”

Dat de minister zich beperkt tot hoofdlijnen, is ook een eis die Daamen stelt. „Wat dat betreft was ik was ik helemaal niet zo ontevreden over Van der Laan.”

Terughoudendheid vragen is

de klassieke opvatting, die terug gaat op Thorbecke: ‘De Kunst is geen regeringszaak, in zooverre de Regering geen oordeel, noch eenig gezag heeft op het gebied der kunst’. Daar is de Raad voor Cultuur voor. De politiek verantwoordelijke buigt zich niet over de vraag of groep A wel of niet subsidie verdient, maar houdt zich bij algemene kwesties, als spreiding en toegankelijkheid. Gedetailleerde inmenging wordt niet op prijs gesteld.

Dat ondervond Nuis toen hij de tijd rijp achtte voor het aanmoedigen van vaderlands product op de podia. Hij probeerde de orkesten te dwingen zeven procent van hun speeltijd aan Nederlandse composities te besteden. Een commentaar in de Volkskrant stelde zijn streven zelfs op één lijn met dat van „NSB-kopstukken Goedewaagen en Goverts” – hoewel Nuis „in veel opzichten gelijk” had, aldus de krant.

Toch wordt het Thorbecke-principe niet door iedereen als heilig ervaren. Tegenover Holvast staat iemand als Henca Maduro, urban onderneemster en lid van de Raad voor Kunst en Cultuur in Rotterdam. Voor haar is de realiteit die van de multiculturele samenleving, waaraan kunst een positieve bijdrage kan leveren. Maduro: „Iedereen in de politiek heeft een agenda, dus waarom de minister van Cultuur niet?”

Die minister moet volgens Maduro wel degelijk een inhoudelijk standpunt innemen. Zij soort zich eraan dat bepaalde kunstvormen worden uitgesloten van subsidie. Urban culture, of new school culture, zoals zij het noemt, wordt „niet serieus genomen door de kunstwereld”. Een minister kan verandering aanbrengen in de status van r&b, hiphop, salsa, merengue, breakdance, crumping, stand-up comedy en allerlei crossvormen. „Drie jaar geleden had ik een discussie met het FAPK, het fonds voor de podiumkunsten, dat hiphop niet accepteerde als kunst, omdat er geen vakopleiding voor was. In 2003! Zo’n enge discussie moeten we nu niet meer hoeven voeren.”

Maduro staat niet alleen.

Twee jaar geleden noemde ex-staatssecretaris Rick van der Ploeg het „een grote fout” dat de culturele lobby „te pas en te onpas het Thorbecke-principe aanvoert om tegen elke beslissing van de staatssecretaris te ageren.” Hij stoorde zich aan een sector die alleen om geld protesteert en van cultuur geen politiek issue maakt. „Zo ontneemt ze zichzelf de kans om de maatschappelijke en economische meerwaarde van cultuur aan te tonen en daarmee de legitimiteit van subsidies te vergroten.”

Een minister die zegt wat hij denkt, kan door zijn status de discussie aanzwengelen. Ook als hij kunst aan de kaak stelt. „Koude, mechanische, conceptuele bullshit”, noemde de Britse staatssecretaris van cultuur, Kim Howells, de vier werken op de short list van de Turner Prize voor Britse kunst, in 2002. Hoort u het Maria van der Hoeven al zeggen?

De Britse staatssecretaris was zo verontwaardigd over de genomineerde werken dat hij een gesigneerd kaartje met zijn commentaar in Tate Britain achterliet, waar de werken te zien waren. Het meest omstreden was Fiona Banners Arsewoman in Wonderland, een billboard met in kleine lettertjes de beschrijving van een pornofilm. „God help ons als dit het beste is wat de Britse kunstwereld ons te bieden heeft”, was Howells commentaar tegenover de Financial Times.

Het Thorbecke-principe is zo levensvatbaar gebleken omdat het voorkomt dat zo’n minister zijn macht misbruikt en de daad bij het woord voegt.

En toch. Hoe fijn zou het niet

zijn als een minister laat merken dat kunst hem tot in zijn stuitje pijn doet. Van afkeer of genot – het protocol doorbrekend, en dat mag ook verfijnder dan Howells deed. Maar we leven in een „onpoëtische tijd”, zoals de hoogleraar letterkunde schreef. Bert Holvast heeft weinig fiducie in een wereld waarin de hoogste baas een kunstfreak is. „Hoed ons voor een minister met te veel tijd voor cultuur!” Dat is maar voor de helft ironie. Hij zou bijvoorbeeld wel eens een ex-topsporter op die plek willen zien. Iemand op gymschoenen, die „aristocratisch en elitair” durft te zijn, omdat alleen het beste goed genoeg is. „Laat de subsidiecarrousel maar sportieve winaars en verliezers kennen. Nu lopen kunstenaars naar hun advocaat als ze subsidie verliezen. Tegelijk klagen ze over bureaucratie, wij ook. Maar die is er omdat we alles juridiseren, toetsbaar willen maken.” Een sporter weet ook dat topsport niet zonder ‘breedtesport’ bestaat. „Zo kan topkunst niet zonder cultuureducatie.”

Zoals Hedy d’Ancona in 1999 zei: „Mijn voorganger Elco Brinkman wist helemaal niets van kunst toen hij begon. Hij maakte voor het eerst kennis met ballet. Het gevolg was dat hij zo onder de indruk kwam dat hij de kunstwereld in ademloze bewondering wel heel erg gekoesterd heeft.” Ademloos misschien, maar niet kritiekloos. Brinkmans weigering de P.C. Hooftprijs van 1984 te overhandigen aan Hugo Brandt Corstius wegens het „voortdurende kwetsende karakter” van zijn columns (Brandt Corstius had net minister Ruding vergeleken met Eichmann) is historisch. En het was een elleboogje op de neus van Thorbecke.

Maar de kunstwereld

zou juist erg gebaat zijn bij iemand „met een goed verhaal”, die weer eens kan uitleggen waarom kunst van groot gewicht is in de samenleving, zegt toneelregisseur Mirjam Koen. En zegt Daamen, directeur op gymschoenen: „Nuis kon dat, Van der Ploeg helemaal niet.” Om de minieme status van kunst te onderstrepen geeft Holvast een voorbeeld uit de verkiezingsstrijd: de voorgenomen BTW-verhoging op boeken door CDA en VVD. „Dat is een bijzin uit de fiscale hoofdstukken van hun partijprogramma’s. Levert 600 miljoen op.” Dat is tweemaal het bedrag dat nodig is om te de smeekbede in te willigen dat er één procent van de rijksbegroting naar cultuur gaat. „Dát is de politieke realiteit van de kunstsector.”

Dat de waarde van kunst moet worden verdedigd en uitgelegd is op zich juist, niet dat het zo’n prioriteit heeft gekregen. Volgens Daamen is er in dit land zelfs sprake van „cultureel analfabetisme”. De rol die cultuur inneemt in het onderwijs of aan tafel is miniem. „Een belangrijke taak voor een minister is zorgen dat kunst weer als iets edels wordt gezien.” Kunst terugbrengen in het „hart van de samenleving”, was ook een doel van Medy van der Laan. Dat is haar niet gelukt, begrijpelijkerwijs. De sleutel ligt bij de minister van cultuur die ook over onderwijs gaat. Op school moet het analfabetisme uitgeroeid worden.

Maar stel dat de komende minister tot een paar besluiten gedwongen kan worden: welke zouden dat moeten zijn? Bij een debat tussen vertegenwoordigers van de kunstwereld en financieel woordvoerders zeiden de laatsten dat de kunstwereld arm was aan onconventionele ideeën. Maar Daamen heeft er wel een paar. „Het museumbestel mag wel eens flink worden opgeschud. Hoe aardig ze ook zijn: waarom zijn musea als in Twente of het Penningenkabinet in Leiden rijksmusea? Ik zie liever een Rijksmuseum voor Moderne Kunst. Dat moet natuurlijk het Stedelijk in Amsterdam zijn. Dan is echt van nationaal belang.” Hij pleit ook voor een groter internationaal aanbod van kunst in Nederland, om te beginnen van theater. Ten koste van het idee „dat elke gemeente zijn eigen museum, concertzaal en schouwburg heeft. Die voorzieningen moet je regionaal afstemmen.”

Stel, tot slot, dat er

kandidaten benaderd kunnen worden. Wie moet er gebeld worden? Koen ziet wel wat in Ellen Walraven, de jonge directeur van debatcentrum De Balie. En in journalist Michaël Zeeman, of PvdA-politicus Hans Kombrink, acht jaar wethouder van Rotterdam voor onder meer kunstzaken. Daamen zou Wouter Bos bellen: „Hij luistert goed.” Hij is ook niet tegen het aanblijven van Van der Hoeven. Wat Maduro betreft zou Jolanda Spoel een goede kandidaat-minister zijn. Ze is artistiek directeur van de Rotterdamse jeugdtheatergroep Les, 33 jaar oud, van Surinaamse afkomst en had en zit in diverse commissies. Dat ze nauwelijks politiek onderlegd is, is niet van belang, zegt Maduro. „Het politieke spel leer je wel. Maar zonder gevoel voor kunst ben je gedoemd stuurloos te opereren.”

Wie begint met ‘stel dat’ kan alles oproepen. Bij cummings verschijnt er aan het slot van het gedicht een onverwacht personage, in de verbeelding van de jij-figuur. Ze zegt: ‘I think I see someone else/ there is al lady, whose name is Afterwards/ she is sitting beside young death, is slender;/ likes flowers.’

zie ook pagina 22

Het Nederlands van cummings is van de hand van vertaler Peter Verstegen.