THRILLERS

De Cicero van Harris: van papventje tot topadvocaat

Robert Harris’ Imperium is ongetwijfeld de beste legal thriller van het jaar. De rechtbank is het Hof van afpersingen in het Rome van 79 v. Chr., de naam van de advocaat is Marcus Cicero. Die Cicero ja, onder gymnasiasten bekend als de enige Romeinse literator met wie je kunt lachen, in zijn eigen tijd bekend als advocaat en senator. In Imperium volgen we de advocatenpraktijk, enerverende rechtszaken en de levensgevaarlijke politieke carrière van de vlot gebekte pleiter.

Robert Harris koos in Vaderland en Pompeii eerder en met wisselend succes voor een historische setting; in Imperium, het eerste deel van een drieluik, vindt hij definitief zijn toon. De verteller in het boek is Tiro, slaaf en zesendertig jaar lang de privé-secretaris van Cicero. Deze Tiro bestond werkelijk en schreef inderdaad memoires over zijn tijd met Cicero. Aangezien dat boek verloren ging, schrijft Harris het opnieuw, zoals van hem verwacht mag worden inclusief de verzekering dat alles ofwel ‘echt gebeurd is ofwel gebeurd had kunnen zijn’. Hij bedoelt ‘gebeurd had moeten zijn’ en wegens de zorgeloze en zelfverzekerde manier waarop Harris de carrière en het huiselijk leven van Cicero beschrijft, trap je daar als lezer gaarne in.

Van een papventje dat door pappa naar scholen voor filosofie en retorica wordt gestuurd – steeds vergezeld door slaaf Tiro – werkt Cicero zich in Imperium op tot consul van Rome. Orerend op de podia die de rechtszaal en politiek hem bieden, praat hij zich de steun en stem toe van het massaal luisterende Romeinse publiek en de haat van de zittende machthebbers. De ‘nieuwe man’ Cicero wordt door hen beschouwd als een soort Fortuyn: een muitziek advocaatje, een vulgaire buitenstaander die met zijn vileine woorden de status quo verstoort.

Naast een relaas over Cicero is Imperium daarmee een verslag over de politiek in Rome en politiek in het algemeen. De uitgesproken hufterigheid van de politieke machinaties en het cynisme van de politieke benoemingen doen in alles denken aan Washington en Den Haag. Het onbekommerd opgeven van burgerlijke vrijheden na een terreuraanslag op de Romeinse handelshaven Ostia – wederom historisch – klinkt twintig eeuwen later ook bekend. De politiek was nooit meer dan een schouwspel van acteurs, wil Harris’ Cicero maar zeggen, het verschil is dat het publiek niet meer op het Forum staat maar voor de buis zit.

Uiteraard leest men dit alles tussen de regels door. Die regels zelf zijn gevuld met het spannende gekonkel van de gemankeerde figuur Cicero en verrassende feiten over de levendige Romeinse rechtsstaat en democratie. Zoals de verplichte straf voor vadermoordenaars, die ‘worden uitgekleed, tot bloedens toe gegeseld en vervolgens samen met een hond, een haan en een adder in een zak worden genaaid en in de Tiber geworpen.’ Heerlijk boek.

Robert Harris: Imperium. Vertaald door Janneke Zwart en Miebeth van Horn. Cargo, 368 blz. € 19,90

Mooi koude-oorlogsverhaal haalde toplijst Booker Prize

‘God, I miss the cold war,’ verzucht MI6 baas M in de nieuwe James Bond film. Menig thrillerschrijver en -lezer kan dit beamen; gelukkig is er nu het merkwaardige kleine thrillertje Zeven leugens van James Lasdun, dat het terecht tot de longlist van de Booker Prize schopte. Het is het autobiografische verhaal van aartsleugenaar Stefan Vogel, woonachtig in New York maar geboren in de DDR, die van kindsbeen af een web van leugens spint om zich te beschermen tegen gezin en staat. Stefan liegt dat hij barst, automatisch, ondanks de enorme problemen die dat schept. De grootste leugen van zijn leven achtervolgt hem tot in New York en dient hier onvermeld te blijven maar houdt uiteraard, zoals het hele bestaan indertijd, direct verband met de communistische Oost-Duitse staat. De afschuwelijke bangheid, kleinheid en verraderlijkheid waartoe dit systeem iedereen noopte, wordt door Lasdun te kakken gezet in prachtig onderkoeld proza. Ook de verdedigers van deze heilstaat in linkse en intellectuele kringen krijgen er van langs.

James Lasdun: Zeven leugens. Vertaald door Wim Scherpenisse. Anthos, 195 blz. € 19,95

Dood en prikkeldraadseks in debuut Diane Setterfield

Volgens T.S. Eliot waren in de 19de eeuw de beste romans thrillers. Debutante Diane Setterfield putte hier mogelijk hoop uit toen ze Het dertiende verhaal schreef, een thriller zo 19de- eeuws als een douairière met een appelflauwte. Aanvankelijk irriteert dat. Setterfield situeerde haar boek in hedendaags Londen en trok zich vervolgens vrijwel niets aan van de 21ste eeuw. Afgezien van een verdwaalde auto is het gewoon achttienzoveel in het antiquariaat waarin heldin Margaret Lea werkt. Kostbare boeken verpakt men in dit kaarsverlichte winkeltje niet in boekminnend bubbeltjesplastic maar in ‘bruin pakpapier omwonden met touw’ en als Lea onverwacht de opdracht krijgt een biografie te schrijven over de raadselachtige bestsellerauteur Vida Winter, overwéégt ze niet eens een laptop en dictafoon, maar boekstaaft ze haar interviews middels ‘een riem papier en mijn twaalf potloden.’

Net als de lezer het antieke bibliomane gedweep van Lea en het dilettantisme van sjabloondiva Vida Winter meer dan zat is, begint die laatste aarzelend haar levensverhaal te vertellen en blijkt schrijfster Diane Setterfield toch een waarachtige yarnspinner in de beste Victoriaanse traditie.

De jeugd van Vida Winter, een adellijke aartsleugenaar, blijkt niet alleen gevuld met landerige picknicks op zonnige heuvels maar ook met dood, krankzinnigheid, incest en prikkeldraadseks. De sfeer op het landgoed Angelfield en het leven met de intens vreemde en egocentrische tweeling Adeline en Emmeline beklemmen zeer; in de Victoriaanse doofpot van dit gezin sudderen ziekte, half weggeschoten hoofden en badkuipen gevuld met stront. Of liegt Winters?

Gekweld door de vraag ‘wat is hier in Godsnaam aan de hand?’ vreet de lezer zich ondanks de blijvende irritatie in een spreekwoordelijke ruk door de vele korte hoofdstukken heen. In de beste momenten doet Het dertiende verhaal denken aan de ziekelijke suspense in het werkelijk Victoriaanse The turn of the screw van Henry James, ook een boek over een eng huis en dito tweeling waaraan door Setterfield meermalen wordt gerefereerd.

Het onstuitbare geestelijke en fysieke verval wordt door Setterfield het mooist verbeeld in het letterlijk ineenstortende huis Angelfield, dat gelijk Poe’s House of Usher of Stephen Kings Overlook Hotel ten onder gaat met de bewoners, die zich verschuilen in de bewoonbare gedeeltes maar ‘desondanks konden we de rest van het huis, die langzaam achter gesloten deuren wegrotte als een afstervend been, nooit helemaal uit ons hoofd zetten.’ Dat geldt ook voor de lezer van dit boek dat, ondanks de vermoeiende pogingen van de schrijfster om Dickens te overdickensen, geschikt is voor een herfstavond bij de open haard.

Diane Setterfield: Het dertiende verhaal. Vertaald door Mariëtte van Gelder. Mouria, 431 blz. € 19,90

Verder verschenen

Geschikt voor in de open haard is Tuinier van de Nacht (Anthos, € 19,95) van George Pelecanos. Dit uitgewalste seriemoordverhaaltje wordt tot vierhonderd bladzijden opgepompt met familiegezeur. Koop liever zijn Harde Revolutie, nu in pocket voor €3,95.

In De gevangene van Guantánamo (Anthos, € 19,95) wordt een FBI-ondervrager van terreurverdachten vakkundig genaaid door de CIA én de Cubaanse geheime dienst nadat een Amerikaanse soldaat van de Guantánamo legerbasis dood aanspoelt op het Cubaanse strand. Ex-journalist Dan Fesperman schrijft fantastisch, veel feiten over de basis kloppen.

Uit Alibi (Luitingh, € 14,95) van Joseph Kanon blijkt dat hij na De goede Duitser nóg een prima historische thriller over de Tweede Wereldoorlog in de pen had, ditmaal gesitueerd in de Venetiaanse gemeenschap van expats anno 1946. Iedereen lijkt medeschuldig aan de Shoa, waardoor de liefde tussen Adam en Claudia een moorddadig aspect krijgt. Claustrofobisch en sfeervol, uitstekend geschreven.