Shamir heeft Israël gered

Efraim Halevy: Man in the Shadows. Inside the Middle East Crisis with a Man Who Led the Mossad. Weidenfeld & Nicolson, 292 blz. € 34,99

Het laatste voorbereidende bilaterale overleg voor de ondertekening van het vredesverdrag tussen Israël en Jordanië, in het begin van de jaren negentig, was een historische gebeurtenis die in de beide hoofdsteden met veel fanfare en feestelijkheid omgeven was. Het beëindigen van de onderlinge staat van oorlog betekende voor Jordanië onder meer het herstel van Amerikaanse betalingen en voor Israël één vijand minder. Een glunderende premier Yitzhak Shamir had bij aankomst in Amman dan ook alle reden om zich op de naderende verzoening met Jordanië te verheugen. Maar hij had een kleinigheid over het hoofd gezien: de twee topambtenaren die de besprekingen zouden notuleren mochten als vrome joden op de sabbat geen werkzaamheden verrichten. Zonder Israëlische notulisten zouden de besprekingen moeten worden afgeblazen, en het was al te laat om niet-religieuze plaatsvervangers uit Jeruzalem te laten overkomen. Shamir moest een list verzinnen. Om de bijeenkomst en de stemming van de Jordaanse koning Hussein te redden, wees hij op goed geluk Efraim Halevy, de hoogste man van de Mossad in zijn gevolg, als notulist aan. Shamir wist niet of Halevy enige ervaring in notuleren had, alleen dat de topman van de Israëlische geheime dienst niet gehinderd werd door religieuze plichten. Halevy sloeg zich er doorheen en voorkwam zo een historisch fiasco.

In zijn pas verschenen memoires Man in the Shadows schrijft hij zijn werkweigerende collega’s nog te hebben tegengeworpen dat in een zaak van leven en dood de religieuze wetten behoren te wijken voor het staatsbelang – maar zijn boodschap kwam niet aan. Halevy’s memoires geven een fascinerend beeld van de techniek van geheime diplomatie (een ander woord voor inlichtingenwerk).

In 1997 bewees Efraim Halevy opnieuw zijn onmisbaarheid in Amman, deze keer om de beschadigde reputatie van de Israëlische geheime dienst in de Jordaanse hoofdstad naar vermogen te redden. Agenten van de Mossad hadden in Amman – dus op het grondgebied van een naburige, soevereine staat – de jacht ingezet op een leider van de terroristische Hamasbeweging, Khaled Mashal, maar hem niet te pakken gekregen. Ze hadden hem zelfs niet uit de weg kunnen ruimen. Twee Israëlische agenten waren door de Jordaanse politie gearresteerd en zaten nu in hechtenis, in afwachting van hun berechting. De nog maar net genormaliseerde betrekkingen tussen de buurlanden konden niet voorkomen dat alle contacten met Jeruzalem op slag werden verbroken. Koning Hussein voelde zich in zijn hemd gezet door de Israëlische regeringsfunctionarissen, die in zijn achtertuin de mislukte anti-terreuroperatie op touw hadden gezet.

Hussein stelde een uitzonderlijke eis aan de in verlegenheid gebrachte Israëlische regering: hij wilde de toestand van de twee gevangenen en vier andere ‘vastgelopen’ Israëlische agenten, alleen bespreken met Efraim Halevy, met wie hij in de voorbereiding van het vredesverdrag een speciale vertrouwensrelatie had opgebouwd. Halevy werkte echter niet meer in Jeruzalem. Hij had na bijna 35 dienstjaren intussen de Mossad gepensioneerd verlaten en was op dat moment ambassadeur van Israël bij de Europese Unie in Brussel. De Israëlische premier Benjamin Netanyahu moest wel buigen: Halevy mocht naar Amman afreizen met een blanco volmacht, als hij de Mossad-agenten maar thuisbracht.

Over zijn eigen tactiek in deze affaire doet de voormalige chef van de Mossad werkelijk een boekje open. Teruggekeerd in Jeruzalem rapporteert Halevy dat Israël, in ruil voor de vrijlating van de zes veiligheidsagenten, koning Hussein tegemoet dient te komen, opdat deze zich de oproerkraaiers in eigen land van het lijf kan houden. Israël moet de in Jeruzalem gedetineerde oprichter van de Hamas-groepering, de invalide Sheik Ahmed Yassin, vrijlaten. Aanvullende voorwaarde: de bejaarde ‘rolstoel-activist’ moet op doorreis naar de Gaza-strook aan Jordanië worden overgedragen, zodat koning Hussein de vrijlating van Yassin als zijn verdienste kan presenteren en zo de opstandige Palestijnen in de regio weer enige tijd tevreden kan houden. Halevy beseft dat hij een aanvankelijk onbespreekbare eis aan zijn regering stelt, maar hij overtuigt Netanyahu ervan dat er niets anders op zit, als hij het leven van zijn zes Mossad-agenten niet in de waagschaal wil stellen. Niet heel veel later gaan de gevangenisdeuren voor Yassin open. Eenmaal op vrije voeten gaat Yassin in Gaza steeds rabiater tegen Israël tekeer. Tenslotte wordt hij in 2003 door een uit een helikopter afgevuurde Israëlische raket om het leven gebracht.

De voormalige chef van de Israëlische geheime dienst spreekt in zijn boek openhartig over zijn relatie met de Israëlische premiers onder wie hij gewerkt heeft. Voor Rabin heeft hij de grootste bewondering, voor Simon Peres de minste. Die twee hadden, ondanks hun politieke geestverwantschap, ook niet veel met elkaar op. Halevy kreeg van Rabin de uitdrukkelijke opdracht in een bepaalde zaak geen enkele informatie aan Peres te geven. Peres komt er slecht af omdat hij geen waardering had voor de inlichtingendiensten en omdat hij bij voorkeur professionele ambtelijke adviseurs verving door politieke adviseurs uit eigen kring. De socialist Ehud Barak verspeelde tijdens zijn premierschap zijn in het leger opgebouwde krediet door iedereen in zijn politieke omgeving te wantrouwen. Ook Ariel Sharon, wiens persoonlijke moed hij wel kan waarderen, krijgt als premier een onvoldoende. Onder Sharon werden de inlichtingendiensten gepolitiseerd. Van oudsher bestaande normen van ambtelijke neutraliteit en betrouwbaarheid, legden het steeds vaker af tegen de politieke belangen van het dienstdoende kabinet.

Netanyahu scoort hoog op grond van zijn grote vakkennis. Maar Shamir is volgens Halevy onbetwist de belangrijkste Israëlische premier van de laatste vijfentwintig jaar geweest. De zelfbeheersing die deze toonde tijdens de eerste Golf-oorlog (door de Scud-raketten van Saddam Hussein niet met een tegenaanval te beantwoorden) is voor Israël volgens Halevy van levensbelang geweest. Tegen de aandrang van de legerleiding in ging Shamir niet in op de provocaties van Saddam, die gehoopt had op een Israëlische vergeldingsactie, waardoor de anti-Iraakse coalitie onder leiding van de Amerikanen ongetwijfeld zwaar verdeeld zou zijn geraakt. Shamir hield steeds het hogere belang van Israël voor ogen.

Halevy loopt niet over van waardering voor de Midden-Oostenpolitiek van de regering-Bush (vader en zoon). De laatste jaren, schrijft hij, is hij geen Amerikaanse regeringsfunctionarissen en diplomaten meer tegengekomen die vertrouwd waren met de historische complicaties van de verhoudingen in het Midden Oosten. Halevy is ook niet zuinig in zijn kritiek op de CIA, die het religieuze radicalisme in de moslimwereld pas heeft onderkend nadat Osama bin Laden zijn troepen aan het front had gebracht. Halevy pleit ook zichzelf niet vrij van nalatigheid. In Israël, zelfs in zijn eigen veiligheidsdienst, werd de kracht van het religieuze radicalisme eveneens lange tijd onderschat. ‘Wij waren nog lang niet ingesteld op de dynamiek van de religie toen wij nog dachten dat in de Arabische wereld alles om het nationalisme draaide’.