Parkeren in Abidjan met een ‘djosseur de nama’

Ernest (22) komt aanrennen zodra hij mijn auto ziet. Hij is bang dat ik aan de overkant van de straat ga parkeren, en niet in het gebied dat ‘van hem’ is, vlak voor de deur van het Italiaanse restaurant. De overkant, een breed trottoir dat in de schaduw ligt van een viaduct, is een paar maanden geleden ingenomen door de concurrentie. Maar voordat de jongens daar me kunnen toeschreeuwen, staat Ernest al druk te gebaren hoe ik mijn auto tussen twee zilvergrijze BMW’s moet wringen. Het zweet op zijn gezicht glinstert in de moordende zon. Als ik de sleutel uit het contact haal, trekt hij met een rappe buiging het portier open. Zo, die staat, zie ik hem tevreden denken.

Ernest is geboren met één vinger. Hij heeft geen handen en geen armen. Uit de mouwen van zijn T-shirt steken twee stompen die ophouden waar de ellebogen hadden moeten beginnen. Met die ene vinger kan hij van alles doen: tekenen, schrijven, autoportieren open- en dichtmaken. „Lichamelijk ben ik gehandicapt, maar in mijn hoofd speelt het geen enkele rol”, zegt hij. Ernest heeft als kind twee jaar gebedeld bij een stoplicht voordat hij het parkeerterrein ontdekte. Toen werd hij djosseur de nama, straattaal voor autoparkeerder. Hij wil het geen beroep noemen. „Mijn droom is om tekenaar te worden.” Hij is heel goed in hardlopen. Wat hij niet kan is de jongens wegjagen die de helft van zijn territorium hebben ingepikt. „Hier geldt het recht van de sterkste.”

De djosseurs van Plateau, het zakencentrum van de miljoenenstad Abidjan, hebben een slechte reputatie. Straatjongens zijn het, branieschoppers, armeluiskinderen die nergens voor deugen. Ze zouden stelen, drugs gebruiken, de hoer spelen. Sommigen zijn ooit door hun ouders de straat opgestuurd om schoenen te poetsen, anderen leven al van kindsbeen af op straat. Toch doen ze, voor wie het wil zien, heel nuttig werk. In Ivoorkust geen gehannes met parkeerautomaten, chipkaarten of overijverige parkeerwachten. Wie parkeren wil, geeft zich over aan een djosseur. Dat is niet moeilijk, want als je komt aanrijden, staan ze vaak al midden op de weg, de wijsvinger gebiedend gestrekt, met een wild rondmaaiende arm, of desnoods brullend door het autoraam. „Il faut garer!”, roepen ze opgewonden. „Parkeer hier!”

’s Avonds zijn ze allemaal weer verdwenen, maar overdag, als de ambtenaren naar kantoor gaan en de handelaars handel komen drijven, is het stadshart van hen. Alle straten zijn nauwkeurig opgedeeld in onzichtbare parkeerzones. Die beslaan vaak niet meer dan driehonderd meter. Ieder groepje heeft zijn eigen territorium. Als kleine zelfstandige waakt Ernest over zo’n vijftien parkeerplaatsen, van de verbrokkelde stoeprand langs het Italiaanse restaurant tot aan het benzinestation naast ‘de grote boom’. De klanten bepalen zelf wat ze geven. Een muntje van 15 cent is al genoeg. Daarvoor past Ernest op de auto en houdt hij het verkeer tegen wanneer je weer wegrijdt. Op goede dagen verdient hij drie euro. „Ik heb een eigen huis”, zegt hij. Een houten bouwsel in een sloppenwijk vijf kilometer verderop.

De djosseurs worden door de politie getolereerd. Ze lijken zelfs harder nodig dan ooit. Aan het begin van de maand stroomt het stadscentrum vol met automobilisten die van het platteland komen om bij de bank hun salaris op te halen. De crisis die Ivoorkust in tweeën heeft gedeeld – het noorden werd vier jaar geleden ingenomen door rebellen – heeft Abidjan doen opzwellen met nog eens 700.000 nieuwe inwoners. Maar op de djosseurs heeft de verkeerschaos nog geen vat gekregen. Als het moet, laten ze hun klanten gewoon dubbelparkeren. Zonder handrem, zodat ze de auto’s vooruit of achteruit kunnen duwen als er iemand uit moet.

Je maakt heel wat mee als djosseur, zegt Edzo (32), een breed lachende spierbundel die met vier vrienden auto’s bewaakt in de hoger gelegen Rue de Commerce. Hij is de oudste en hij kan schrijven, dus hij is de leider van de groep. Edzo doet dit sinds zijn familie geen geld meer had om voor hem te zorgen – al twaalf jaar. Iedere ochtend om zeven uur staat hij op zijn post. Met het kluitje jongens dat het gebied links van de apotheek in handen heeft, heeft Edzo niets op. „Dat zijn dieven.” Met veel gevoel voor drama vertelt hij over zijn over oudere, welgestelde ministersvrouwen die parkeerjongens met de belofte van een baan naar hun huis proberen te lokken. En over homo’s die goedkoop aan hun gerief willen komen. Gaandeweg betrekt zijn gezicht. Nee, zo lollig is het eigenlijk allemaal niet. Maar hij barst weer in lachen uit als ik vraag of hij toch niet een beetje trots is op zijn vak. „Haha. Dit heeft een veel te slechte naam. Als ik een leuk meisje ontmoet, zeg ik liever dat ik werkloos ben.”