Ook zijn apekool boeit

Nog steeds steken de politicologische essays van de ‘onscrupuleuze’ ambtenaar Niccolò Machiavelli torenhoog uit boven de ‘manifestjes van de dwergen van het Binnenhof.’

Niccolò Machiavelli: Il principe en andere politieke geschriften. Vertaald door Paul van Heck. Ambo/Anthos, 512 blz. € 39,95.

Wordt Machiavelli nog gelezen?Je mag het hopen.

Zijn geschriften zijn dan wel vijfhonderd jaar oud, en ze verwijzen dus vaak naar (Italiaanse) figuren en verhoudingen uit de vroege 16de eeuw, maar ze hebben niets van hun vitaliteit verloren, ze hebben de zeggingskracht, de souplesse en de sier behouden van het mooiste proza dat gisteren kon zijn geschreven. Neem een alinea uit Il principe in de zojuist verschenen nieuwe vertaling van Paul van Heck.

‘Men dient te beseffen’, lezen we daar, ‘dat een vorst niet al die dingen in acht kan nemen die mensen een rechtschapen reputatie bezorgen, omdat hij vaak omwille van de macht dingen moet doen die strijdig zijn met trouw, strijdig met naastenliefde, strijdig met menselijkheid, strijdig met godsdienstigheid. En daarom dient hij geestelijk in staat te zijn om de steven te wenden naar de kant die de wind van de fortuin en de gang der gebeurtenissen hem opsturen; en, zoals ik eerder zei, aan het goede vast te houden indien mogelijk, maar het kwaad te kunnen omarmen indien noodzakelijk.’

‘Proza dat galoppeert’, zei Nietzsche al (vierhonderd jaar na dato, in Jenseits von Gut und Böse), ‘proza van het allerbeste, baldadigste humeur, waarmee je bovendien de droge, kostelijke lucht van Florence inademt.’ Machiavelli schreef zijn belangrijkste twee politieke verhandelingen – Il principe, De vorst, en Discorsi, Gesprekken over de eerste tien boeken van Livius – in de vorm van een verzameling relatief korte paragrafen waarin de ‘moraal’ van het verhaal zich als het ware stukje bij beetje ontvouwt. Die vorm, en de altijd heldere, elegante stijl, garanderen een blijvende toegankelijkheid.

Hier is nog zo’n paragraaf, uit de Discorsi:

‘Zoals betoogd wordt door al degenen die schrijven over de politiek, en zoals in elk geschiedboek uit talloze voorbeelden blijkt, dient iemand die een staat sticht en van wetten voorziet, ervan uit te gaan dat alle mensen een neiging tot het kwade hebben, en altijd hun kwade instincten zullen gebruiken, zodra ze daartoe de gelegenheid krijgen. Als de kwade zin een tijd verborgen blijft, dan bestaat daarvoor een verborgen reden, die zich niet doet kennen zolang het kwaad zich niet manifesteert. Totdat de Tijd, die de vader van alle waarheid genoemd wordt, haar aan het licht brengt.’

Dit soort overwegingen hebben Niccolò Machiavelli de naam bezorgd van de onscrupuleuze, mensonvriendelijke, amorele cynicus tegen wie de jonge prins Frederik van Pruisen nog eens een idealistisch pamflet genaamd Antimachiavel in het geweer bracht – zonder overigens in z’n latere jaren als vorst ook maar één van de aanbevelingen uit Il principe te versmaden. Maar het is de vraag of Machiavelli, die tussen 1498 en 1512 secretaris was van de Raad van Tien van de Florentijnse stadstaat, als persoon vereenzelvigd mag worden met wat hij als verstandig gedrag verkondigde in zijn publicaties. Over zijn ware karakter schieten de biografische gegevens helaas tekort.

Zou hij nog worden gelezen door Nederlandse politici?

Wie kennis heeft genomen van de magere manifestjes die de afgelopen maand onder de naam boek in het licht zijn gezonden door Balkenende, Bos, Marijnissen, Halsema, Rouvoet en Pastors, kan zich nauwelijks voorstellen dat één van hen ooit wel eens in Machiavelli zou hebben gebladerd. En verder is er natuurlijk geen spoor van vergelijk. Niet eens zozeer omdat Machiavelli, vijf eeuwen oud, als auteur nog altijd met kop en schouders uitsteekt boven de schrijvende dwergen van het Haagse Binnenhof, maar om een veel eenvoudiger reden. Machiavelli heeft als ambtenaar en ambassadeur nooit – of misschien bijna nooit – een actieve politieke rol gespeeld. Pas na z’n ontslag (en z’n verbanning door de weer aan de macht gekomen Medici) is hij als analyticus gaan nadenken en schrijven over wat hij veertien jaar lang van nabij had kunnen waarnemen. En je hebt het gevoel dat de ene bezigheid, zeker in Nederland, de andere uitsluit. Politici zijn geen intellectuelen, zei Bolkestein graag.

Machiavelli was bovenal een veelzijdige intellectuele schrijver. Niet helemaal de uomo universale naar het Renaissance-model (hij schijnt bijvoorbeeld geen klassieke opleiding te hebben genoten, en las zijn Romeinse favorieten in vertaling), maar van veel literaire markten thuis, en als schrijver in de volkstaal geïnspireerd door zijn Italiaanse landgenoten Dante, Petrarca en Boccaccio. Z’n satiren, z’n toneelstukken en z’n blijkbaar half en half scabreuze carnavalsliederen ( z’n oeuvre kwam niet alleen vanwege antiklerikale neigingen op de index van verboden boeken terecht) zijn in de vergetelheid geraakt. De onsterflijkheid dankt hij aan de politicologische essays: Il principe dat iets meer dan honderd pagina’s telt, en de tweemaal zo dikke Discorsi.

Die twee hoogst geserreerd geschreven verhandelingen markeerden in het begin van de 16de eeuw een radicale breuk met het augustinische wereldbeeld dat tot in de late middeleeuwen dominant was, en waarin religie en moraal centraal stonden. De boeken (die waarschijnlijk pas na Machiavelli’s dood in 1527 in druk zijn verschenen) bliezen als het ware de Civitas Dei op, en formuleerden er een filosofie voor in de plaats waarin Onze Lieve Heer en de zedelijke orde voorgoed ondergeschikt waren gemaakt aan een volstrekt geseculariseerde opvatting van politiek: die van de staatsraison. En dat was revolutionair.

Cynisch, zal men ook in 2006 nog altijd vroom oordelen. Met het beginsel dat aan de machiavelliaanse lessen ten grondslag lag, zijn later in de geschiedenis immers begrippen geassocieerd gebleven die niet door de ethische beugel konden: Realpolitik en, erger nog, de loutere machtspolitiek. In de Discorsi gaat Machiavelli aan de haal met de bij Livius ‘neutraal’ opgeschreven Romeinse stichtingslegende, aan het eind waarvan Romulus niet alleen zijn broer Remus, maar ook zijn rivaal Titus vermoordt. En hij schrijft:

‘Een belastende daad dient haar excuus te vinden in haar resultaat, en als dat resultaat goed is, zoals bij Romulus, dan zal ook het excuus altijd goed zijn, want geweld dient veroordeeld te worden als het wil afbreken, niet als het beoogt op te bouwen.’

Binnen de politiek is het levensdelict uit de mode geraakt – geen murder in the cathedral meer. Maar wat als Wouter Bos klaagt dat Jan Peter Balkenende en Mark Rutte hem ‘kapot’ proberen te maken? Ook als het om zulke betrekkelijke kleinigheden gaat als het Nederlandse ontslagrecht, de Nederlandse zorgpremie of het Nederlandse blauw op straat, zijn voortdurend de mechanismen in werking die we kennen of herkennen uit de analyses van Machiavelli.

Niet dat zijn werk moet gelden als de bijbel op het gebied van staat en politiek. Net als in de echte bijbel wemelt het van achterhaalde, hopeloos verouderde of domweg onzinnige ideeën en adviezen. Maar ook als hij apekool verkoopt (onder meer in militaire kwesties, waarin hij suggesties aanreikte die in het Florence van zijn dagen godzijdank nooit zijn opgevolgd) blijft hij boeien door de ijzeren, haast onontkoombare, en zeer moderne logica van zijn redeneertrant.

Bijna tien jaar nadat Paul van Heck de Discorsi op een onvolprezen manier heeft vertaald, ingeleid en toegelicht, is nu van dezelfde Machiavelli-expert Il principe en andere politieke geschriften verschenen. Weer leest de vertaling als het eerbetoon aan een groot literair talent, je komt ook in het Nederlands geen verkeerd woord tegen. Naast de Principe zijn ‘kleine politieke geschriften’, brieven, en een biografische schets van Castruccio Castracani, de machthebber van Lucca, opgenomen. De annotaties – onder op de pagina’s aangebracht; je hoeft niet telkens een eind verderop te bladeren – beslaan ongeveer de helft van de ruim 500 pagina’s, en zijn een voortreffelijke gids door wat Machiavelli zelf ‘een rampzalige’, dus een fascinerende tijd noemde.

In de portretten die van hem bekend zijn, lijkt de schrijver ons aan te kijken met een ingehouden spotlachje om de dunne, samengeknepen lippen. Als hij de kandidatenlijsten voor onze 22ste november aanstaande had uitgevouwen, zou hij vermoedelijk hebben gezegd: dat wordt kiezen uit vierentwintig kwaden.