Nog maar eens in de week seks, of minder

Nederlanders vrijen minder dan vijftien jaar geleden, maar zeggen daar net zo tevreden over te zijn. Maar hoger opgeleiden vormen een risicogroep. Die „leggen de relatielat steeds hoger.”

Hoe Nederlanders aan seks zeggen te doen, lijkt de afgelopen vijftien jaar nogal veranderd. Van het onderzoek Seksuele gezondheid in Nederland 2006, van de Rutgers Nisso Groep, kwamen gisteren de belangrijkste resultaten naar buiten. Sinds 1991 had dit binnenlandse kenniscentrum voor seksualiteit (destijds nog NISSO geheten) zo’n bevolkingsonderzoek niet meer georganiseerd.

Feiten en feitjes genoeg. Meer mannen en vrouwen dan toen masturberen, en een op de twintig mensen vrijt nu regelmatig anaal. Vooral jongere volwassen doen meer dan vijftien jaar geleden aan vingeren, aftrekken en orale seks. Tachtig procent van de mannen en veertig procent van de vrouwen gebruikt porno. En natuurlijk: het internet deed zijn intrede in het seksverkeer. Eén op de tien mannen, en een op de zeventien vrouwen doet aan seks over het web. Voor deze cijfers hebben ruim vierduizend volwassenen, tussen 18 en 70 jaar oud, vragen beantwoord.

Maar hoe Nederlanders dat seksuele leven waardéren, lijkt gewoon hetzelfde te zijn gebleven – in ieder geval voor de tachtig procent van de bevolking met een vaste partner. Die ruime meerderheid is tevreden over hun relatie, slechts een op de negen mensen heeft regelmatig ruzie over seks.

Misschien, zeggen de onderzoekers, zijn mensen met een partner toch wel wàt minder tevreden geworden. Want zestig procent heeft nu eens per week seks of minder, en dat was in 1991 nog maar veertig procent. En iets vaker dan toen verschillen de partners over hun idee van wat een ideale frequentie is, wat vrijen betreft. Maar al met al: bij 45 procent van de respondenten gaf hun relatie het afgelopen jaar geen spanningen, en het seksueel functioneren al evenmin.

Dan komt dus de vraag: zijn deze cijfers wel betrouwbaar? Want helemaal te vergelijken zijn de twee onderzoeken niet: in 1991 gingen de enquêteurs langs de deuren, nu hielp een onderzoeksbureau om een representatieve groep via internet aan te schrijven. Zoiets geeft vertekening, zo meldt ook het onderzoeksrapport zelf – deze mensen met internet zullen allicht wat vaker webseks hebben, en ouderen zonder computer worden ook niet bereikt.

Er zijn ook voordelen. Volgens Floor Bakker, een van de leiders van het onderzoek, is het onderzoek nu representatiever dan vijftien jaar geleden. „Face to face laten mensen waarschijnlijk niet het achterste van hun tong zien. Maar het is altijd moeilijk om een representatief onderzoek naar seksualiteit te doen.”

Bakker vindt het daarom belangrijk dat uit haar onderzoek blijkt dat 45 procent weliswaar tevreden is, maar dat de andere helft wél stress ondervindt. „Bij de meesten hoeft dat het leven niet te beïnvloeden. Maar twintig procent van de mannen, en vijfentwintig procent van de vrouwen zegt wel behoefte te hebben aan zorg op relationeel of seksueel terrein.”

Prof. Harry van de Wiel, in Groningen, vroeger hoogleraar in de seksuologie en nu in de gezondheidspsychologie, herkent die grote behoefte aan zorg. „Het past in een trend om bij levensproblemen een deskundige in te schakelen, waar vroeger de pastoor of de dominee die functie had.” Er is veel vrijheid, zegt Van de Wiel, en dat leidt tot onzekerheid en een strijd om macht in de relatie. „En we hebben een hoog ambitieniveau op seksueel gebied, zeker hoog opgeleiden.”

Wat de afgelopen vijftien jaar beter is geworden, zegt Van de Wiel, is dat mannen zich hebben aangepast aan geëmancipeerde vrouwen. „En een negatieve kant is dat we de relatie-lat steeds hoger leggen. Dat is ook vaak een taak van de relatietherapeut: dat je iemand voorzichtig uitlegt dat hij of zij bij wijze van spreken de handjes nog mag dichtknijpen.”

Of de grote beschikbaarheid van seks op internet of op muziekzenders de seksualiteit van Nederlanders heeft beïnvloed, durft onderzoeker Floor Bakker niet te zeggen. „In onze studie zagen we geen aanwijzingen dat dat schadelijk zou zijn, en ook uit ander onderzoek blijkt dat dat enkel geldt voor een selecte groep die toch al neigt naar agressief of vrouwonvriendelijk gedrag.”

Hoogleraar Van de Wiel weet niet of mensen die behoefte hebben aan zorg, ook allemaal door een deskundige gezien zouden moeten worden. „Wat is vereist, wat is gewenst? Sommige problemen lossen zichzelf weer op na een tijdje sudderen. En als seksuoloog zie je ook mensen waarvan je denkt: was eerder gekomen, dan was het probleem nog niet zo ingesleten.”

Vooral jongeren, etnische minderheden én hoog opgeleiden met een hoog inkomen bestempelt de Rutgers Nisso Groep als ‘risicogroepen’. Zo rapporteren de meeste groepen allochtonen veel relatiestress, en is onder moslims veel sprake van schuldgevoelens.

Onder hoogopgeleiden spelen andere problemen, aldus het rapport. „Wellicht is aan een hoge maatschappelijke positie een relatief sterk bewustzijn van ‘recht-hebben-op’ gekoppeld.” Hoogleraar Van de Wiel: „En zij vinden het moeilijk om onbekommerd te genieten, om hun hoofd leeg te maken.”