Middeleeuwse roadmovie

Ben Sombogaart maakte van ‘Kruistocht in spijkerbroek’ een al even spannende en meeslepende film. Wat maakt dit boek toch zo tijdloos spannend?

Het moet sinterklaasavond 1975 zijn geweest dat ik een dik ingepakt boek openmaakte: Kruistocht in spijkerbroek. Op de kaft een blonde jongen met rood shirt en spijkerbroek tussen een stoet vaal geklede kinderen, sommigen met een houten kruis in de hand. Ik herinner me nog dat ik de titel niet begreep. Twee onverenigbare begrippen voor een bijna tienjarige. Bij het openslaan van het boek viel mijn oog onmiddellijk op een vreemd gedraaide landkaart van Europa: een spannend avonturenboek dus!

Regisseur Ben Sombogaart van de boekverfilming die deze week in première is gegaan vertelt in een geschreven toelichting dat hij zag hoe het boek van Thea Beckman zijn eigen zoon raakte. Die had het jarenlang naast zijn bed liggen. Ook ik herlas het verhaal vele malen.

Met het boek op schoot reed ik vele jaren later voor de reisbijlage van deze krant in het voetspoor van de kinderkruistocht over zoveel mogelijk over kleine weggetjes van het Duitse Spiers naar het Italiaanse Brindisi. Want Kruistocht in spijkerbroek kun je filmen, je kunt er een computergame en lesmateriaal voor basisscholen van maken, zoals nu in navolging van de film is gebeurd. Je kunt het boek ook nareizen. Dat brengt de reiziger bijvoorbeeld in het schilderachtige Karwendelgebergte waar een ruïne tegen de bergwand is geplakt die Beckman heeft geïnspireerd tot het verhaal over de roof van tientallen kinderen door graaf Romhild. Dat het kasteel van eeuwen na de kruistocht stamt, maakt het niet minder spannend.

Maar wat maakt Kruistocht in Spijkerboek zo’n fantastisch boek? Waarom behoort het tot de hoogtepunten uit de Nederlandse jeugdliteratuur? Volgens Sombogaart gaan boek en film om „ontroering”. Kinderen worden volgens hem gegrepen „niet zozeer door de middeleeuwse geschiedenis, maar vooral door de emotie, de vriendschappen en de romantiek.”

Dat lijkt me flauwekul. Voor emotie, vriendschappen en romantiek hoef je de televisie maar aan te zetten, en je wordt ermee overspoeld. Natuurlijk zitten die soapingrediënten in het boek, maar in welk boek niet? Er moet meer zijn om het ene kinderboek boven het andere te laten uitstijgen. Het moeten wel degelijk ook de Middeleeuwen zelf zijn die blijven trekken. Ga maar op een basisschool kijken. Meisjes verkleden zich als prinsessen, en jongens willen ridders zijn. Verhalen over de Middeleeuwen staan voor meer dan emotie, vriendschap en romantiek: ze gaan ook over avontuur, heldenmoed en strijd tegen ‘slechteriken’, zoals mijn zoontje van bijna acht ze steevast noemt.

In de geromantiseerde

kinderversie zijn de Middeleeuwen bovendien een onbekende, andere wereld, waarbinnen het heerlijk fantaseren is. Oudere generaties lazen het Geheim van Eemdaele van Heer Halewijn of Fulco de Minstreel van Joh. Kievit stuk. Mijn generatie droomde weg in Kruistocht in Spijkerbroek, Brief voor de Koning van Tonke Dragt en zat aan de buis gekluisterd bij Floris. Nu verslinden kinderen én volwassenen massaal de avonturen van Harry Potter waarin ook onmiskenbaar een middeleeuwse sfeer hangt.

Toch zijn de tot de verbeelding sprekende Middeleeuwen alleen geen afdoende verklaring voor het grote succes van Kruistocht in Spijkerbroek. Geef me de Ruimte van dezelfde schrijfster uit 1976 is een prachtige schreeuw om vrijheid van een weggelopen meisje uit het veertiende-eeuwse Brugge tegen de achtergrond van de verschrikkingen van de Honderdjarige Oorlog. Dertig jaar later is het boek wel wat in de vergetelheid geraakt. De verklaring is wellicht heel simpel.

Met de vrijwel vergeten kinderkruistocht had de twee jaar geleden overleden Beckman begin jaren zeventig een gouden verhaal in handen: een schare van duizenden straatarme kinderen die in 1212 vanuit Keulen op pad gaat om Jeruzalem te bevrijden uit handen van de Saracenen. Als ze de Alpen over zijn, zo is hen verteld, zullen ze naar Jeruzalem kunnen lopen. Net als bij Mozes zal de zee voor hen splijten. Maar in werkelijkheid is de malicieuze ‘broeder’ Anselmus van plan de kinderen te verkopen aan slavenhandelaren. Een verhaal dat ten dele een historische achtergrond heeft en bijna te fantastisch is om zelf te kunnen verzinnen. Een verhaal dat zich zo goed leent voor een kinderboek, omdat het wemelt van de kinderpersonages waarmee de lezer zich kan identificeren. En een verhaal waarin die kinderen – ook zo’n succesformule in de jeugdliteratuur – dingen doen die normaal alleen grote mensen doen. Het zijn toch immers alleen echte ridders die op kruistocht gaan?

Maar voor Thea Beckman was dit verhaal niet meteen een boek, vertelde ze me in 2000 toen ik op het punt stond de tocht na te reizen. Samen met haar man had Beckman de tocht met de auto gereconstrueerd. Dat er een kruistocht van armen heeft plaatsgevonden met daaronder veel kinderen, lijkt wel zeker. Maar welke route de kruisvaarders volgden, is onduidelijk. Beckman had zo veel mogelijk de snelweg verlaten, de locaties bezocht, de belangrijkste verwikkelingen bedacht. Maar voor haar gevoel ontbrak er nog iets aan het verhaal. Ze besloot tot een briljante ingreep: ze bedacht Dolf Wega (in de Engelstalige de film Dolf Vega), een 15-jarige jongen uit het twintigste-eeuwse Amstelveen die ze met de kruistocht meestuurt. Hij is er per ongeluk in terecht gekomen tijdens een experiment met een tijdmachine. Op het eerste gezicht misschien niet de meest originele inval, maar hij wel pakt bijzonder goed uit. Dat komt doordat Beckman er terughoudend mee omgaat. ‘Rudolf van Amstelveen’, zoals hij gaat heten, is geen arrogante betweter die even in het verleden gaat ingrijpen.

Dolf is een bedachtzame jongen die verbaasd is, verbijsterd vaak, over wat hij ziet en die probeert zijn kennis te gebruiken om de kruistocht bij te sturen. Het leidt tot een prachtige en leerzame confrontatie tussen de middeleeuwse mentaliteit en de Verlichting. De kinderen vertrouwen op de goddelijke almacht en dragen lijdzaam hun lot terwijl Dolf een product is van het moderne individualisme dat van mensen verwacht dat ze zelf nadenken en hun eigen lot in handen nemen. Een thema dat aan actualiteitswaarde nog niets heeft ingeboet.

Natuurlijk wordt Dolf

door sommige ‘kruisvaarders’ gezien als duivelskind en beschuldigd van hekserij. Anderen zien in hem juist een wonderdoener. De confrontatie tussen deze werelden zorgt ervoor dat de middeleeuwse kinderen meer en meer verantwoordelijkheid gaan nemen voor hun eigen leven. Aan de andere kant beleeft de ongelovige Dolf bij de tombe van de heilige Sint Nicolaas in het Italiaanse Bari zijn moment van religieuze ontroering. Ziehier, de twee wereldbeelden hoeven elkaar dus niet te vuur en te zwaard bestrijden.

Dergelijke diepten bereikt de film niet. Van ontwikkeling van karakters is weinig sprake. Maar de confrontatie tussen de moderne en middeleeuwse mentaliteit zelf is wel mooi en overtuigend in beeld gebracht. De kinderen begrijpen niet dat Dolf voor de goede afloop niet op God vertrouwt. Maar Sombogaart maakt geen kermis van de verschillen en is gelukkig dicht bij de Dolf van het boek gebleven. Hilarisch is wel de rol van de iPod die door Dolf een ‘troubadour in een doosje’ wordt genoemd. Terwijl ze in een bakkerij in Rottweil duizenden broden staan te bakken, zingen de middeleeuwse verschoppelingen vals maar uit volle borst mee met ‘We are the champions’ van Queen.

De moeder van Dolf beleeft in de film intussen haar hele eigen avontuur als wetenschapster die haar zoon probeert terug te vinden. Uit oude archieven wordt een middeleeuws handschrift opgedoken van priester Thaddeus die verhaalt over de kruistocht en het optreden van een wonderlijke jeugdige leidersfiguur. Zo komt ze Dolf weer op het spoor. (‘Rudolf van Rotterdam? In 1212 bestond Rotterdam nog helemaal niet!’). Dat is een leuke vondst die doet denken aan andere tijdreizigers die in het heden sporen nalaten zoals in het verhaal De geboorte van een God van Hubert Lampo waarin indianengod Quetzalcoatl een gestrande astronaut blijkt te zijn. Dolf figureert ook in kleurrijke miniaturen die het oude boek illustreren.

Maar Kruistocht in spijkerbroek is niet alleen een reis in de tijd. Het is ook heel nadrukkelijk een reis door middeleeuws Europa. Daarom leent het boek er zich ook zo goed voor om door de liefhebber nagereisd te worden. Met het boek in de hand kan een reiziger de tocht reconstrueren: op zoek naar de kleine kronkelweggetjes door de bergen, naar resten van burchten op een helling, naar middeleeuwse overblijfselen in de steden. De Dom van Spiers staat er nog, de kale Po-vlakte ligt er nog en de indrukwekkende burcht van Graaf Ludovico verheft zich nog steeds van de landtong in het Lago di Trasimeno. De Dolf van het boek bemoeit zich nadrukkelijk met de route die hij kent van vakanties met zijn ouders. Hij laat de kinderen in de Alpen de relatief makkelijke Brennerpas nemen in plaats van de door de boosaardige Anselmus uitgezette tocht over de kortere maar veel hogere Mont Cenis. De film is in potentie dus ook een soort middeleeuwse roadmovie. Misschien is dat anno 2006 een volstrekt onmogelijke opgave, maar de film overtuigt daarin dan ook minder. De locaties blijven tamelijk vlak. De roof van tientallen kinderen in een Alpenkloof vindt niet plaats rond een spectaculaire roofridderburcht, zoals in het boek, maar Dolf redt de kinderen uit de klauwen van de rovers ergens in een vaag kamp in de bossen. Zelden heeft de kijker het idee dat hij ergens op concrete plek is, of het moet het fraaie beeld zijn van de hongerige kinderen voor de gesloten poorten van het Duitse Spiers. „Het vinden van de juiste locaties ging met horten en stoten”, zegt Sombogaart. Uiteindelijk werd vooral gedraaid in Duitsland, Luxemburg en Kroatië. Langdurig lijkt de kruistocht te dolen door hetzelfde bosachtige landschap, dan komen ‘de bergen’ en dan ‘de zee’. Maar daar vindt dan wel weer een spectaculair gefilmde ontknoping plaats. De Dolf uit het boek weet dat zijn middeleeuwse Mariecke moet achterblijven. „Wat moet er toch van jou worden?” mijmert hij: „Ik kan je niet meenemen naar mijn eeuw.” De Dolf uit de film denkt daar in verband met zijn Jenne anders over. In filmliefde blijken zeven eeuwen verschil zonder morren overbrugbaar.‘Kruistocht in spijkerbroek’ draait in 107 bioscopen. Het verhaal ‘Tijdmachine op wielen’, een verslag over de reis van Jaco Alberts langs de route van de kinderkruistocht, is na te lezen op www.nrc.nl/kunstis niet alleen een reis in de tijd. Het is ook heel nadrukkelijk een reis door middeleeuws Europa. Daarom leent het boek er zich ook zo goed voor om door de liefhebber nagereisd te worden. Met het boek in de hand kan een reiziger de tocht reconstrueren: op zoek naar de kleine kronkelweggetjes door de bergen, naar resten van burchten op een helling, naar middeleeuwse overblijfselen in de steden. De Dom van Spiers staat er nog, de kale Po-vlakte ligt er nog en de indrukwekkende burcht van Graaf Ludovico verheft zich nog steeds van de landtong in het Lago di Trasimeno. De Dolf van het boek bemoeit zich nadrukkelijk met de route die hij kent van vakanties met zijn ouders. Hij laat de kinderen in de Alpen de relatief makkelijke Brennerpas nemen in plaats van de door de boosaardige Anselmus uitgezette tocht over de kortere maar veel hogere Mont Cenis.

De film is in potentie

dus ook een soort middeleeuwse roadmovie. Misschien is dat anno 2006 een volstrekt onmogelijke opgave, maar de film overtuigt daarin dan ook minder. De locaties blijven tamelijk vlak. De roof van tientallen kinderen in een Alpenkloof vindt niet plaats rond een spectaculaire roofridderburcht, zoals in het boek, maar Dolf redt de kinderen uit de klauwen van de rovers ergens in een vaag kamp in de bossen. Zelden heeft de kijker het idee dat hij ergens op concrete plek is, of het moet het fraaie beeld zijn van de hongerige kinderen voor de gesloten poorten van het Duitse Spiers. „Het vinden van de juiste locaties ging met horten en stoten”, zegt Sombogaart. Uiteindelijk werd vooral gedraaid in Duitsland, Luxemburg en Kroatië. Langdurig lijkt de kruistocht te dolen door hetzelfde bosachtige landschap, dan komen ‘de bergen’ en dan ‘de zee’. Maar daar vindt dan wel weer een spectaculair gefilmde ontknoping plaats. De Dolf uit het boek weet dat zijn middeleeuwse Mariecke moet achterblijven. „Wat moet er toch van jou worden?” mijmert hij: „Ik kan je niet meenemen naar mijn eeuw.” De Dolf uit de film denkt daar in verband met zijn Jenne anders over. In filmliefde blijken zeven eeuwen verschil zonder morren overbrugbaar.

‘Kruistocht in spijkerbroek’ draait in 107 bioscopen. Het verhaal ‘Tijdmachine op wielen’, een verslag over de reis van Jaco Alberts langs de route van de kinderkruistocht, is na te lezen op www.nrc.nl/kunst