Meneer Blanco zegt ons niets

Paul Auster: Op reis in het scriptorium (Travels in the Scriptorium). Uit het Engels vertaald door Ton Heuvelmans. De Arbeiderspers, 150 blz. € 17,95

In de beroemdste roman van Paul Auster, The New York Trilogy uit 1985, blijken de stadswandelingen van een excentrieke man bij nadere bestudering de vorm te hebben van letters (die samen een boodschap spellen). Met een vergelijkbare blik zou je in Austers loopbaan als schrijver tussen 1990 en 2004 de letter V kunnen zien. Na de briljante gokkersroman The Music of Chance ging de kwaliteit van zijn boeken gestaag omlaag, met als dieptepunt de hondenfabel Timbuktu (1999).

Met The Book of Illusions, over de zoektocht naar een verdwenen filmregisseur, maakte hij een voorzichtige comeback, die bekroond werd met het ouderwets goede Oracle Night, waarin al Austers thema’s en motieven – toeval, verhalen-in-een-verhaal, persoonsverwisselingen, mannen in crisis – op een spannende manier waren verenigd.

Sinds het beschrijven van die volmaakte V ging het weer naar beneden met Austers carrière. Vorig jaar verscheen The Brooklyn Follies, een naïef tussendoortje met een slappe plot en een dito slot (een happy ending op de dag vóór 9/11!); en nu is er Op reis in het scriptorium, een bescheiden novelle waarin Auster probeert op een creatieve manier een samenvatting te geven van zijn eigen oeuvre. Op elke bladzijde is wel een verwijzing naar (een van de personages uit) zijn eerdere boeken te vinden, en het basisgegeven – een man wordt in verwarde toestand wakker in een vreemde omgeving – herkennen we om te beginnen al uit The New York Trilogy.

De bejaarde hoofdpersoon van Op reis door het scriptorium heet Meneer Blanco – althans zo wordt hij genoemd door de vertellers (die pas op het einde van het boek hun identiteit prijsgeven). Aan het begin van het verhaal is zijn geest ‘ergens anders, dolend in het verleden tussen de spookfiguren waarmee zijn hoofd volzit, terwijl hij de vraag probeert te beantwoorden die hem achtervolgt.’ De vraag is niet alleen waarom hij zit opgesloten, maar ook of hij zit opgesloten, want zijn zwakke gesteldheid verhindert hem daar effectief onderzoek naar te doen.

Meneer Blanco’s toestand is vergelijkbaar met die van de personages in de romans van Samuel Beckett, een van Austers literaire voorbeelden; maar er zitten in Op reis door het scriptorium wel meer verwijzingen naar de wereldliteratuur. Zo is de sfeer van de novelle heel erg Kafka (de schrijver die onderwerp was van Austers doctoraalscriptie), terwijl de plot van een verhaal dat Meneer Blanco op zijn schrijftafel vindt, herinnert aan De woestijn van de Tartaren, het meesterwerk van de Italiaanse schrijver Dino Buzzati.

Niet dat al dit intellectuele spel de novelle beter maakt. Gaandeweg wordt duidelijk dat Meneer Blanco een alter ego is van de schrijver, die op verschillende manieren (door gesprekken, met foto’s) ter verantwoording wordt geroepen door zijn personages, die hij veel leed heeft berokkend. Maar wanneer op de voorlaatste bladzijde de clou er bij de lezers wordt ingehamerd – ‘het paradoxale is dat wij, de verdichtsels van een andere geest, de geest die ons bedacht heeft zullen overleven’ – zijn we al in slaap gesukkeld.

Het is allemaal zó bedacht, zó voorspelbaar opgeschreven, en de hoofdpersoon heeft zó’n gebrek aan vlees en bloed, dat we moeten concluderen dat Auster het spoor weer bijster is. Het is te hopen dat hij zichzelf in zijn volgende romans hervindt, opdat we over een jaar of vijf kunnen zeggen dat de loopbaan van de Amerikaan inmiddels een perfecte W beschrijft.