Klifhanger 13 Het dagboek van Katja

Wat voorafging: op zoek naar de gekidnapte Sebastiaan zijn Katja en Tjalling terecht gekomen bij Ken en Babs, in hun bungalow van roze plastic. Ook de biefstuk, de barbecue en het gras zijn van plastic… Katja vindt de vlekkeloze wereld prachtig.

Tjalling! Hij had tegen een boom van Babs geplast! Wát een idioot. Ik had me nog nooit zo geschaamd voor iemand. Daar kwam hij het terras alweer opsjokken. Ik liep op hem af en greep hem bij zijn schouder. „Is er iets?” zei hij verbaasd. Het kostte me moeite om niet te gaan schreeuwen. Ik duwde hem voor me uit van het terras af. Over mijn schouder heen zag ik nog net hoe de anderen naar de boom liepen. Ze bukten zich en voelden aan de grond rond de boom. „Het is nát”, kirde de stem van Babs verbaasd.

Tjalling en ik liepen om het huis heen. In de achtertuin stond een schommelbank. Als je erop ging zitten keek je uit over een enorme wei. „Wat heb je nou gedáán”, begon ik. Tjalling antwoordde niet. Hij wurmde zich los, ging op de bank zitten en begon te schommelen. Ik kon hem wel schoppen, maar op dat moment zag ik dat er achter de enige boom in de wei iets bewoog. Er zwaaide daar iets heen en weer. Stond daar wat ik dacht dat daar stond? Was het echt een paardenstaart die daar bewoog? Mijn hart begon te hameren, maar ik kon niet meteen gaan kijken. Eerst moest ik met die Friese drilbil afrekenen.

„Als jij je niet kunt gedragen”, zei ik, „als jij me voor paal wenst te zetten waar ál mijn nieuwe allerbeste vrienden bij zijn, dan denk ik dat je beter kunt gaan.”

Ik schrok er zelf van, zoals dat klonk. Ik leek mijn moeder wel, die dit soort dingen vaak tegen mijn vader zei. „Misschien is het echt wel beter, Tjalling”, zei ik toen, zachter dan daarnet, „als je vertrekt… je past hier niet zo goed.”

„Joehoe!”, klonk ineens een stem. De vriendin van Babs verscheen om de hoek. Ze had zich verkleed en droeg nu ruiterkleren, een lila cap, een gele rijbroek en lila paardrijlaarzen.

„Hebben jullie Cedric al gezien?” jodelde ze. „Ceddie! Kom eens hier, jochie.”

En toen, ik had me niet vergist, verscheen het paard. En wat voor een paard! Een droom van een hengst stond daar ineens, hoog op de benen, fier in de nek en helemaal, van het puntje van zijn schitterende staart tot aan de topjes van zijn elegante oren, paars. Schitterend, egaal, glanzend paars. Ik hapte naar adem. Het paard galoppeerde naar het hek. „O”, steunde ik. „O Tjalling, kijk nou.”

Ik geloof dat ik hem „nou moe, een paarse knol” hoorde mompelen, maar op dat moment kwam Babs eraan. Ze was zo te zien niet boos op ons: ze hield een extra cap in de lucht. „Wil je een rondje rijden, Katja?” zei ze lief. „En jij misschien ook, ventje-hoe-heet-je-ook-alweer?”

„Nee zeg”, zei Tjalling. Hij klapte plotseling hard in zijn handen, die arme Cedric deinsde terug. „Ga in godsnaam weg, Tjalling”, zei ik. „Ik blijf hier!”

wordt vervolgd

Zou jij iets willen zeggen tegen Katja of Tjalling? Stuur het naar kinderpagina@nrc.nl