Is het niet schoon te worden uitgezonden om de vermoeiden te zoeken?

Max Havelaar spreekt de hoofden van Lebak toe illustratie J.H. Isings; foto Multatuli Museum, Amsterdam

De toespraak die minister Bernard Bot eerder deze maand hield tot de stamoudsten van Uruzgan, de Afghaanse provincie waar Nederlandse militairen veiligheid en stabiliteit pogen te brengen, is zeker een van de merkwaardigste documenten die de Nederlandse staat sedert lang heeft voortgebracht. Die onder de omstandigheden vermoedelijk onontkoombare vaderlijke toon, die waarschuwingen voor nare gevolgen mochten de toegesprokenen de boodschap niet verstaan en de euvele moed hebben zich tegen het Nederlands bestuur te keren, die herhaalde verzekeringen van eigen goede wil en verwijzingen naar het goedertieren karakter van de staat die van vér weg hier zegeningen komt verspreiden – waaraan doet dat toch denken?

Aan de ‘Toespraak tot de hoofden van Lebak’ uit de Max Havelaar van Multatuli, inderdaad. Mutatis mutandis: de stijl van Multatuli in de jaren ’50 van de negentiende eeuw is bloemrijker dan die van Bot aan het begin van de 21ste. Ik zou ook geenszins willen beweren dat de Nederlanders in Uruzgan een koloniale onderneming aan het opzetten zijn. Al bemoeit Bot zich, net als de negentiende-eeuwse assistent-resident, wel met de gewassen des velds: het kweken van papaver voor opium is zeker niet iets dat de zegen van de Nederlanders heeft.

De dreiging met geweld van Bot is in zekere zin directer dan die van Havelaar. „U hebt allen gezien over welke overweldigende macht wij beschikken. Wij zijn niet bang om te vechten”, aldus de Nederlandse minister anno 2006. Dan is Havelaar wel iets subtieler: „Wie gedwaald mocht hebben, kan op een zacht oordeel van mijn kant staat maken, want dat ik zelf zo menigmaal dwaal, zal ik niet streng zijn... niet althans in de gewone dienstvergrijpen of nalatigheden. Alleen waar nalatigheid zou worden tot gewoonte, zal ik die tegengaan. Over misslagen van grovere aard... over knevelarij en onderdrukking, spreek ik niet. Zoiets zal niet voorkomen, nietwaar...?”

Wat maakt nu dat beide teksten, afgezien van allerlei evidente verschillen, toch zo'n zelfde sfeer ademen? Om te beginnen de situatie: Nederlands gezagsdrager spreekt in een vér land lokale, traditioneel geachte gezagsdragers toe, in de hoop hun morele en praktische steun voor de Nederlandse onderneming te verwerven. Eerste voorwaarde daarvoor is te laten weten, dat het Nederlands gezag niet van plan is in te grijpen in de lokale verhoudingen – dat zou ook onlogisch zijn want de macht die men poogt te paaien is in die tradities verankerd. „Wij willen uw gebruiken niet veranderen”, zegt Bot, „wij eerbiedigen de wijzen van het volk van Uruzgan, en hebben eerbied voor familiestructuur en uw wetten.”

Op dit punt gaat Havelaar een stapje verder. Op een manier die in het hedendaagse Nederland vermoedelijk schandaal zou verwekken, ontziet de assistent-resident zich niet de God van zijn gehoor, Allah, aan te roepen voor zijn eigen zaak en zichzelf tot diens werktuig te benoemen: „Want ik weet dat Allah de arme liefheeft, en dat Hij rijkdom geeft aan wie hij beproeven wil. Maar tot de armen zendt Hij wie Zijn woord spreekt, opdat zij zich oprichten in hun ellende.”

Het is wel fascinerend dat, met meer dan anderhalve eeuw afstand, het bestuurlijk probleem waarvoor beide Nederlandse gezagsdragers zich gesteld zien, niet zo heel verschillend is. De pogingen om de provincie Uruzgan uit de armoede te verheffen hebben immers vooral ten doel te verhinderen dat de door decennia oorlog verarmde plaatselijke bevolking massaal een loyaliteit zou opbouwen in de richting van de beweging der Talibaan. Havelaar maakt melding van zonen van Lebak die de arme gemeente ontvluchten om elders met de wapenen hun geluk te zoeken.

Zelfs de ideologische uitdaging is dezelfde: wat tegenwoordig de ‘politieke islam’ genoemd wordt, was voor het Nederlands koloniaal bestuur een bron van studie en zorg, en speelde ook een rol bij de talrijke opstanden waardoor het Nederlands gezag geplaagd werd.

Jammer dat na de Tweede Wereldoorlog op Nederlandse universiteiten het vak Indische bestuurskunde in onbruik is geraakt. Maar de overeenkomst tussen Bot en Havelaar is bovenal hun instelling tegenover de toegesproken aanzienlijken in het verre land: gewapenderhand hebben ze het beste voor, menen ze. In het tijdperk der globalisering is de white man’s burden weer helemaal terug.

Max Havelaar: cf.hum.uva.nl/ dsp/ljc/multatuli/havelaar/mh8Speech Bot: minbuza.nl/nl/actueel/speeches,2006/11