Ik kan niet anders

Architect John Körmeling kreeg gisteren de Witteveen+Bos Prijs „De politiek wil altijd liever een tunnel dan een brug.”

Hi, ha, hi, ha, hi. Vrolijk gekleurde letters knipperen aan en uit aan de muur van het Van Abbemuseum in Eindhoven. Tussen de lachende woordjes door flitsen felle lampen. „Ik wilde in een ruimte het optimale vrijheidsgevoel oproepen en wat is er nu bevrijdender en vrolijker dan lachen”, zegt John Körmeling terwijl hij zijn muurgrote sculptuur in het museum laat zien.

Of Körmeling een architect is of een kunstenaar, is ook 25 jaar na zijn afstuderen als bouwkundige aan de TH Eindhoven niet helemaal duidelijk. Van zijn plannen, 136 schriftjes vol inmiddels, zijn er maar weinig uitgevoerd. Meestal in het kader van iets kunstzinnigs. Zijn bekendste werk is het reuzenrad voor personenauto’s waarmee hij een paar jaar geleden in Utrecht de expositie Panorama 2000 opluisterde. Je rijdt er met je eigen auto in en draait hoog boven de stad je rondjes. Maar of dat nu kunst of een bouwwerk is? „Iemand zo’n ervaring geven, dat is kunst”, zegt Körmeling.

Het imago van niet-bouwer deelt Körmeling met Nederlands grootste levende architect, Rem Koolhaas, die pas de laatste tien jaar steeds meer plannen gerealiseerd ziet. Ook Körmeling dreigt eindelijk door te breken tot de werkelijkheid van beton en glas. Hij is net bekroond met de Witteveen+Bos Prijs voor kunst en techniek. En samen met vijf andere architecten is hij gevraagd om het Nederlands paviljoen voor de Wereldexpo van 2010 in Sjanghai te ontwerpen. Vandaag of morgen hoort hij van Rijksbouwmeester Mels Crouwel of hij de opdracht krijgt. „Eigenlijk reken ik er op.”

In zijn atelier in Eindhoven zou hij het liefst meteen het plan voor Sjanghai laten zien, maar het moet geheim blijven tot de beslissing. Körmeling heeft al wel zijn fiets bij het bouwterrein in China staan. Hij heeft hem daar op slot gezet tegen een hek.

Körmeling portretteren als een niet-bouwer doet hem te kort. Geleidelijk is het lijstje uitgevoerde plannen gegroeid. Neem het glazen theehuisje in het Bredase Valkenbergpark met in kermisletters woorden als koffie, ijs, worst en soep langs de strakke dakrand. Het is gemaakt in een Rietveldachtige stijl met veel glas en smalle spanten. Rietveld, Duiker, Bakema en Maaskant zijn architecten die hij bewondert. „Dat zijn goeien.” Ook ontwierp hij een entreegebouw voor het Antwerpse beeldenpark Middelheim. En een fietshuisje bij Scheveningen, en het Pioniershuisje op het dak van het Douanegebouw in de Rotterdamse haven. Na eindeloos gesteggel wordt zijn meedraaiende huis op een rotonde in Tilburg eindelijk gebouwd. En niet te vergeten zijn geestige toevoeging aan de statige nieuwbouw van het Van Abbemuseum: het fluorroze brughuisje.

John Körmeling (1951) zit er niet mee dat zijn plannen steeds vaker werkelijkheid worden. Hij voelde zich nooit veel anders dan zijn klasgenoten op de TH. Hij heeft vooral zijn eigen pad bewandeld. Ik kan niet anders.” En die bleek zelden in de mode of wat de opdrachtgever wenste. Je ziet die directheid af aan zijn atelier, een voormalig café net buiten het centrum van Eindhoven. Om binnen te komen moet je door een in de muur gehakt gat. Omdat er geen deur was tussen de gang naar zijn woonhuis en de caféruimte brak hij de muur door. Het was de kortste weg naar een oplossing van het probleem.

Die houding bezorgde hem de prijs van deze krant voor het slechtste ontwerp, toen hij voorstelde het Amsterdamse Museumplein geheel te asfalteren. „Ik leefde van afgekeurde schetsopdrachten.” Ze werden niet afgewezen omdat ze niet goed waren, maar omdat zijn oplossingen ‘politiek gevoelig’ lagen.

Daarom ging hij begin jaren negentig maar auto’s bouwen. „Die kon ik zelf maken. Wat is zo’n ding anders dan een vloer, vier wielen, een motor, twee bankstellen en ramen rondom?”

Körmeling heeft iets met auto’s en vervoer. Niet alleen omdat hij tegenover de vroegere DAF-fabriek, nu het DAF-Museum, woont en werkt. De auto is ons belangrijkste vervoermiddel, maar het lijkt volgens hem wel alsof we dat niet willen toegeven. De filemeldingen op de radio verbijsteren hem iedere dag opnieuw. Files op plaatsen waar je in de kale weilanden makkelijk vier, acht, twaalf extra banen zou kunnen neerleggen. „Files zijn een soort reclame. Files in Heerenveen!”

Hij wil een huis bouwen waarvan de hoek bestaat uit een auto. Ga je op reis, dan neem je die hoek mee, inclusief de bank waarop je eerder nog televisie lag te kijken. Met rubberen afdichtingen lijkt het hem prima uitvoerbaar. En het doet iets aan het Nederlandse stoelenoverschot. „Al die lege stoelen ’s avonds in kantoren. Al die lege auto’s.”

Met zijn Vierkante auto, een lage glazen doos op een onderstel met vier wielen heeft Körmeling een tijdje rondgereden. De auto had een variomatic aandrijving zoals alle DAF’s die hadden. „Joan van der Brugghen, de uitvinder van de variomatic, belde me twaalf jaar geleden. Hij zei: ‘Als ik dood ben wil ik gereden worden in jouw auto. Want het is de enige waarop je hem aan de buitenkant ziet. En ik wil op een plank liggen met een doek over me heen en mijn hoofd er precies boven.’ Ik was zeer vereerd. Eind september vroeg de familie of het aanbod nog gold.” Op 26 september heeft Körmeling Van der Brugghen naar het crematorium gereden.

Sinds een paar maanden heeft Körmeling een nieuwe hobby: Google Earth. Hij zoomt achter zijn pc in op de luchtfoto’s van de fraaie nieuwe woonwijken die Nederland bouwt. Lachen is dat, zo veel domheid. „Google Earth is smullen. Wat een ramp. Het is zo erg! De golfbaan bij Purmerend is even groot als de hele stad. Waanzinnig.” Overal ziet hij eilandjes van huizen ontstaan, zonder een fatsoenlijke weg van a naar b. „Dikke klonten waar je in zit te tollen, waar je aan een kant maar weer uit kan.” Op zijn vraag waarom je via kronkelige weggetjes van de ene naar de andere woonwijk moet komen, kreeg hij op een bijeenkomst met bouwers het antwoord dat vreemden niets te zoeken hadden in de tussenliggende woonwijkjes.

De woonomgeving mag

geen ontmoetingsplaats meer zijn zoals de binnensteden en dorpen vroeger. „Straten worden gezien als privégebied waar vreemden niets te zoeken hebben.” De huizen raken steeds meer naar binnen gekeerd. Dat mensen contact houden via telefoon en internet weet Körmeling. „Maar waarom kruipen ze weg? Dan ga je toch buiten op straat zitten!”

Ook de auto’s stralen tegenwoordig dat benauwde uit. „Ze leunen voorover, worden hoger en hebben steeds minder ramen. Ze staan in een verdedigende positie. Veel moderne fietsen hebben ook dat stierige. Het is alsof alles steeds kwader wordt. Kinderwagens met zware wielen en banden, alsof ze akkers moeten omploegen. Wat is dat toch? Angst is in de mode.”

De architectenwereld nodigt hem vaak uit om bijeenkomsten met zijn compromisloze kijk op de wereld op te vrolijken. Laatst was hij op een bijeenkomst over de verbouwing van het stationsgebied in Rotterdam. „Ik vroeg: waarom bouwen jullie niet net als de futuristen en constructivisten in de jaren twintig en dertig boven de grond? Veel goedkoper en veiliger ook. Ze schieten overeind. Natuurlijk is het veel mooier daarboven. Maar vanuit de politiek wordt wat anders verlangd. Daar aan toegeven, dat is een heel pijnlijke zaak voor de architecten.

„Nu komen er vijf parkeerlagen onder het Stationsplein en Schouwburgplein, met een wegverbinding ertussen. Bovengronds zie je enkel boompjes en mensen met een wandelwagentje lopen. Als je iemand moet afzetten bij het station moet je in een gleuf kruipen. Waarom toch? Het is heus geniaal hoe ze in Amsterdam de nieuwe metro voor elkaar krijgen, helemaal onder de beurs van Berlage door. Jezus man, wat haal je op je nek. Er is nu een reclame van Nuon op televisie waarin je de zweefbaan van Wuppertal door het centrum van Amsterdam ziet gaan: geniaal, puur schoonheid.

„De politiek wil altijd liever een tunnel dan een brug, want dan zie je niks en kan niemand klagen. Daarom ligt er een tunnel door het Groene Hart terwijl een brug landschappelijk veel mooier is. Het zijn goede bedoelingen die een waardeloos resultaat opleveren. Je moet er toch niet aan denken dat ook de nieuwe Moerdijkverbinding voor de HSL een tunnel was geworden. Dan hadden we die brug van Benthem-Crouwel niet gehad, de mooiste die er is.”

Hij heeft wel eens opdrachten voor het ontwerpen van een villa aangenomen. „Kwamen die mensen hier kijken en leg ik het uit: kijk het is eigenlijk net een kippenhok. Lopen ze boos weg! Ha ha, maar het wás gewoon een schuin dak met een veranda eronder. Mensen doen zo moeilijk over huizen.” Ook werd eens bijna zijn idee gerealiseerd voor een echt Zaans huisje op vijf hoog in een hoek van een verder strakke torenflat met uitzicht op het Noordzeekanaal. Maar na een eerste positieve reactie ging ook dat niet door. Hij lacht spottend: „De verhoudingen klopten niet volgens die architect.”

Het Van Abbemuseum met

de imposant hoekige uitbreiding in donker natuursteen van architect Abel Cahen is vijf minuten lopen van Körmelings atelier. Het ligt aan dezelfde straat en onderweg passeer je van die moderne, zuinige woonblokken waar eens Henri van Abbe’s sigarenfabriek stond. Zijn commentaar laat zich raden. Körmeling is wel enthousiast over de nieuwbouw van het museum die half in het water van het riviertje de Dommel ligt. Maar Cahen had één dingetje over het hoofdgezien. „Van achteren lag het museum erbij als een fort in het water. Moest je helemaal omlopen als je naar het restaurant wilde.” Daarom stelde directeur Charles Esche voor om een brug te leggen. „Ik had in Canada van die overdekte bruggetjes van hout gezien, maar dat mocht niet wegens het brandgevaar. Toen besloot ik het in aluminium te doen, maar wel alsof het een houten constructie is. Ik wilde het een kleur geven die nergens in het gebouw of in de omgeving terugkwam. Het moest een felle kleur zijn, om het eruit te laten knallen. Maar dat is geen kritiek op het gebouw van Cahen, hoor”, zegt hij met nadruk. „Het maakt het beter. Het hoort er nu als een soort schuurtje bij.”

Echt iets voor U, staat op het dak van het brughuisje in knipperende letters als boven een poffertjeskraam op de kermis. „Duidelijker kan het niet, het is voor iedereen persoonlijk.” Knalrose, maar wel helemaal doorgerekend zodat de verhoudingen exact kloppen, onzichtbaar bollend zodat het recht lijkt en met een raampje in de zijwand zodat je vanuit het museumcafé een doorkijkje hebt op het stromende water van de Dommel. En dat doorkijkje is een verwijzing naar de bouwstijl van Cahens nieuwbouw. „In het verlengde kun je de nieuwe woontoren van Jo Coenen zien, die ik hartstikke mooi vind.” Hij heeft over het brughuisje nagedacht als een echte architect. „Ja ja, ben ik ook!”

In het Van Abbemuseum is tot 10/2 veel werk te zien van John Körmeling.