‘Ik denk aan die boterham’

Fotografen en kunstenaars kiezen in ‘Kiek’ hun favoriete foto. Deze week de kiek van fotograaf Eddy Posthuma de Boer (1931) uit Amsterdam.

‘Dat jongetje had ik kunnen zijn. Deze foto heeft Robert Capa gemaakt vlak na de bevrijding in Amsterdam. Ik moet er toen ongeveer zo uit hebben gezien. Misschien is dit kind ietsje jonger dan ik destijds was, maar elke keer als ik dit beeld zie, denk ik: ja, zo voelde ik me toen ook. In de hongerwinter kregen we elke dag één snee oorlogsbrood. Dat was heel droog brood en omdat er geen boter was, smeerden we er spuug op. Daarop kregen we een laag surrogaat hagelslag. Als ik dit jongetje zie, denk ik aan die boterham.

„Deze foto bevestigt dat zo’n oorlogsperiode nooit meer uit je ziel verdwijnt. De indrukken die je in je jeugd opdoet hebben zo’n invloed op de rest van je leven. Ik heb nog gezien hoe jongetjes uit mijn klas werden opgepakt en op de tram gezet richting Centraal Station. Vanaf daar gingen ze met de trein naar Westerbork. Ik ben geen oorlogsslachtoffer maar dit soort herinneringen zorgen er wel voor dat ik nog steeds tegen elke vorm van dictatuur ben.

„Capa heeft altijd veel kinderen gefotografeerd. Geen idee eigenlijk waarom. Misschien omdat hij geen gemakkelijke jeugd heeft gehad. Op zijn zeventiende werd hij Hongarije uitgezet en ging hij naar Berlijn. Sindsdien heeft hij een zwervend bestaan geleid. Hij leefde in hotels en ging als oorlogsfotograaf de hele wereld over. Hij is waarschijnlijk op dit jongetje gestuit nadat hij eerst op 6 juni 1944 de invasie van de geallieerden in Normandië had gefotografeerd. Daarna is hij met de troepen mee naar het noorden getrokken.

„Ruim tien jaar geleden had ik een overzichtstentoonstelling, Voor het oog van de wereld, met onder meer foto’s van kinderen in achtergestelde gebieden. In tegenstelling tot Capa leg ik pas achteraf de gevolgen van oorlog of natuurrampen vast. Ik wil niet in oorlogsgebied zijn als er wordt gevochten. Ik ben ook niet in staat om eindeloos rond te zwerven. Mijn familie is voor mij heel belangrijk. Maar ik wil wel onrecht vastleggen. Niet dat ik daarmee de wereld kan verbeteren. Ik zeg vaak tegen mijn kinderen: als ik dood ben, gaat dit getreiter nog steeds gewoon door.”