‘Het klimaatdebat ontbeert leiderschap’

Twee weken waren deskundigen in Nairobi bijeen om te praten over nieuwe maatregelen tegen klimaatverandering. Ondanks schrikbeelden over de gevolgen van het broeikaseffect bleef de conferentie zonder resultaat.

Een Brits rapport over de kosten van klimaatverandering werkte deze week op de grote klimaatconferentie van de Verenigde Naties in Nairobi als de knuppel in het hoenderhok. Het rapport, van de gerenommeerde econoom Nicholas Stern, kent weliswaar onzekerheden en aannames, maar de kern ervan werd in Nairobi door vrijwel niemand tegengesproken: als we nu niet fors investeren om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen, betalen de komende generaties daarvoor een oneindig veel hogere rekening.

Ook als Stern maar een beetje gelijk heeft, zijn de conclusies zo verontrustend dat de onderhandelaars er niet omheen konden. De Verenigde Staten niet, die uit economische overwegingen in 2000 het Kyoto-protocol over het terugdringen van broeikasgassen afwezen. China niet, dat in klimaatkwesties het liefst als ontwikkelingsland aan de zijlijn blijft staan. De Europese Unie niet, waar ondanks de goede bedoelingen de doelstellingen nauwelijks worden gehaald. En Canada niet, waar de nieuwe conservatieve regering probeert onder de Kyoto-verplichtingen uit te komen. En ook Australië niet, waar de premier moeite heeft om uit te leggen waarom hij weinig tegen klimaatverandering doet, terwijl het land gebukt gaat onder de ergste droogte sinds mensenheugenis.

Het rapport van Stern is niet het enige dat dezer dagen verscheen. De doemscenario’s, die overigens door de auteurs niet zo mogen worden genoemd, buitelden in Nairobi over elkaar heen. Daarnaast waren er de concrete plannen – grotere en kleinere. VN-chef Kofi Annan introduceerde bijvoorbeeld het ‘Nairobi Framework’, een fonds waaruit arme landen kunnen putten voor de ontwikkeling van schone energie. Frankrijk wil de invoerheffingen verhogen voor producten uit landen die weigeren mee te doen aan ‘Kyoto’. „Typisch Frans”, vond premier Howard van Australië, een van de landen die door die heffingen getroffen zouden worden. Brazilië vroeg om hulp bij de bescherming van zijn tropische regenwouden. „Mensen kappen het Amazone-gebied niet leeg omdat ze boos zijn op bomen”, aldus minister van Bosbouw en Biodiversiteit João Capobianca, „Het kappen is in feite duur en moeilijk. Mensen doen dat omdat het een garantie biedt voor economische overleving.” De vraag is volgens Capobianca niet waarom rijke landen zouden investeren in bescherming van het regenwoud, maar waarom ze het niet zouden doen.

Over een bestaand plan, dat deel uitmaakt van het Kyoto-protocol, werd in Nairobi fors onderhandeld. Volgens het protocol moet 2 procent van het geld dat rijke landen investeren in klimaatprojecten in ontwikkelingslanden, worden gestort in een fonds dat die landen in staat stelt zich aan de gevolgen van de klimaatverandering aan te passen. De vraag is wie dit geld – het bedrag zou wel eens kunnen oplopen tot 750 miljoen dollar – in de toekomst moet beheren. De ontwikkelingslanden willen zoveel mogelijk zelf bepalen hoe ze het gebruiken, de rijke landen eisen een scherpe controle door bijvoorbeeld de Wereldbank.

Maar de meest prangende vraag die de ongeveer 190 deelnemende landen in Nairobi zich stelden, bleef onbeantwoord. Hoe moet het verder met het klimaatbeleid? In 2012 loopt het Kyoto-protocol af, wat moet er dan gebeuren?

„Klimaatverandering is niet, zoals veel mensen nog steeds denken, alleen een milieu-onderwerp”, hield VN-chef Kofi Annan de in Nairobi aanwezige ministers voor. „Het is een allesomvattende bedreiging.” Volgens Annan hoort klimaatverandering thuis in het rijtje: internationale conflicten, armoede, proliferatie van gevaarlijke wapens en andere „bedreigingen die traditioneel de politieke agenda hebben gemonopoliseerd”.

Annan noemde de afspraken die in 1997 in Kyoto zijn vastgelegd (een wereldwijde reductie van de uitstoot van broeikasgassen met 5,2 procent ten opzichte van 1990) weliswaar „een cruciale stap voorwaarts”, maar een veel te kleine stap. „En in het debat over hoe we nu verder moeten, is sprake van een beangstigend gebrek aan leiderschap.”

Iedereen is het erover eens dat een nieuw klimaatverdrag geen zin heeft zonder de Verenigde Staten en China. Doordat de twee grootste vervuilers niet aan Kyoto meedoen, heeft het protocol nu slechts betrekking op 30 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. Om die landen binnen boord te halen suggereren sommigen dat de eisen aan het klimaatbeleid maar beter niet al te dwingend kunnen worden opgelegd. Maar als de zaak nog verder verwatert, zeggen anderen, blijft er helemaal niets over. En Kyoto stelt al zo weinig voor. Door dit gekibbel is het bijna onhaalbaar om het binnen enkele jaren eens te worden over een Kyoto II. Dus zijn de onderhandelaars het vandaag, op de slotdag van de conferentie in Nairobi, erover eens dat ze het daarover eens moeten worden, en wel „zo snel mogelijk”.

„Het was het minimum”, verzuchtte Jennifer Morgan van een Britse milieudenktank gisteren, „om het proces gaande te houden”.