Het ‘ervaringsgenie’ wil aandacht

Willem Brakman: Naar de zee, om het strand te zien. Querido. 112 blz. € 16,95

Het is een probleem dat zich bij elke nieuwe roman van Brakman voordoet: hoe vat je iets samen dat eigenlijk niet valt samen te vatten? Waar gaat het boek over? Waar moet dit heen? Op een hoger niveau valt er altijd wel iets over te zeggen, maar per zin zit je wel eens met de handen in het haar. Brakman laat zich graag gaan in moeilijk te doorgronden innerlijke monologen die alle kanten opzwalken, maar daar volgen gelukkig altijd weer verstaanbare alinea’s op. Eenzelvig gemompel gaat soms abrupt over in een hilarische uiteenzetting over pakweg een ziekenhuisopname, een begrafenis of een ongeluk. Men doet er goed aan om vooral stil te staan bij die heldere, levendige passages en de iets minder begrijpelijke gedeelten voor lief te nemen, als aanloop naar een nieuw stilistisch hoogtepunt.

In zijn nieuwe roman, Naar de zee, om het strand te zien, komt zoals de titel al zegt veel zee en strand voor, waar zich uiteenlopende troebelen afspelen, de meeste met een criminele ondertoon. Plaatsen van handeling: Duindorp, Scheveningen, de Bosjes van Poot en allerlei Haagse locaties (De Fahrenheitstraat, het Tesselseplein, de Laan van Meerdervoort). Het is duidelijk dat het hier, zoals altijd, niet gaat om zoiets als de werkelijkheid, maar om beelden, sferen, gevoelens, herinneringen, nostalgische overwegingen: de waarnemingen van een man die zich een ‘ervaringsgenie’ noemt. Hij herbeleeft de tijd die hij aan de kust doorbracht, – een tijd die mogelijk ‘in het echt’ heel anders is verlopen. Of, zoals hij het zelf uitdrukt: ‘Wij herstellen dat wat er in werkelijkheid niet is.’

Wie de roman autobiografisch wil lezen, moet erbij bedenken dat Brakman niet rechtstreeks uit zijn geheugen put, maar uit al eerder geschreven herinneringen, zodat er heel wat bekende figuren uit zijn vorige romans voorbijtrekken. Zijn naamloze hoofdfiguur deelt mee dat hij spijt heeft van elke dag die hij voor de kost heeft moeten werken, net als Brakman zelf overigens. Hij had al zijn tijd liever doorgebracht met schrijven dan opdrachten aan te moeten nemen op de werkplek van de ‘donderstraal’ die boven hem was gesteld. Hij voegt er wat besmuikt aan toe: ‘Ik leefde een niet geleefd leven vol vrouwenfiguren.’

Hier is een man aan het woord die aandacht wil, van vrouwen vooral, omdat er vroeger nooit naar hem werd geluisterd. Aan vrouwenfiguren is in deze roman inderdaad geen gebrek: een moeder en een grootmoeder die allebei het loodje leggen, een opdringerige hospita, een meisje met menstruatieklachten, een getrouwde vrouw die zich geduldig door hem op een duinpad laat vleien, een pianiste die ‘een Midden-Europese blouse’ draagt ‘met stikkerijen’, ‘vrouwen van dweil en bezem’ die speels met hun achterwerk draaien en een verpleegster met wie hij in het ziekenhuis een vertrouwelijk praatje aanknoopt, al loopt dat nog bijna verkeerd af. ‘Zo vroeg ze hoe ik over God dacht, waarop ik snedig antwoordde dat de diepste ervaring van God zijn afwezigheid was en dat kostte mij bijna mijn thee.’

Als Brakman bij de komende verkiezingen gaat stemmen, dan lijkt hij mij wel iemand voor de Partij van de Dieren, net als Maarten ’t Hart. Eerst is er in Naar de zee, om het strand te zien nog vrij kalmpjes sprake van ‘meelij’ met alles wat leeft, op de mensheid na. Maar vervolgens wordt fel uitgehaald naar mensen met dieronvriendelijke hobby’s. ‘In Israël laten ze een kameel de godganse dag opstaan en knielen met op de rug verwerpelijke zoutzakken, overvette en volgevreten toeristen die men zonder pardon en dwars door Getsemane de drukke verkeersweg op zou moeten trappen. Zo ook de sportvissers, die zou men plotseling een haak door de neus moeten slaan en uit de tuin het dak op moeten zwiepen.’

Er worden hier, op onveranderlijk droge toon, nog veel meer rekeningen vereffend, zodat tegen het eind van het boek het dodental flink is opgelopen. Dat lucht op, zou je zeggen, maar Brakmans hoofdpersoon blijft op zijn hoede. Als hij een begraafplaats bezoekt, stelt hij goedkeurend vast dat het terrein goed onderhouden is, maar hij meent ook dat hij er maar beter niet te lang kan blijven staan, ‘want dan gaan daar beneden de oogjes langzaam open.’ Het is kijken of bekeken worden, zo lijkt het in deze grimmig-komische roman, want wie gezien is, is ook meteen het haasje.