‘Hardhandig verhoren’ is voor VN marteling

Juridisch gezien is er geen ruimte voor misverstand: martelen mag niet. Vraag is alleen of de verhoormethoden van Nederlandse MIVD’ers in Irak als zodanig gedefinieerd kunnen worden.

Martelen mag niet. Uitzonderingen bestaan niet. Er zijn weinig vergrijpen tegen de rechten van de mens die zo helder en onomstotelijk zijn geformuleerd als het verbod op martelen. Het mag niet van de hier geldende wetten en verdragen. Niet in Nederland. En het mag ook niet daarbuiten door Nederlanders of dankzij Nederland. Zowel de militairen die zich er in Irak schuldig aan maakten kunnen worden vervolgd, als de Staat die het toeliet.

De splinternieuwe wet Internationale Misdrijven uit 2003 omschrijft martelen als „het opzettelijk veroorzaken van ernstige pijn of ernstig lijden, hetzij lichamelijk, hetzij geestelijk, bij een persoon die zich in gevangenschap of in de macht bevindt van degene die beschuldigd wordt”. Martelen kan ontaarden in ‘folteren’. Daarvan is sprake als de overheid iemand pijn doet om hem te laten bekennen, te straffen, te intimideren, te chanteren of te discrimineren.

In juristentaal gaat het dan om martelen met de bedoeling „om van hem of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen voor een handeling die hij of een derde heeft begaan of waarvan hij of een derde wordt verdacht, of hem of een derde vrees aan te jagen of te dwingen iets te doen of te dulden, dan wel om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie uit welke grond dan ook, van overheidswege gepleegd”. Wie zich daaraan schuldig maakt kan levenslange gevangenisstraf krijgen. De definities zijn gebaseerd op het VN-verdrag tegen foltering uit 1984. Gelijkluidende bepalingen staan in het Derde Verdrag van Genève voor de goede behandeling van krijgsgevangenen uit 1949.

En dan is er nog het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dat zegt in artikel drie categorisch: „Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen”.

De Iraakse gevangenen die door de MIVD zijn behandeld, kunnen dus zelf een klacht bij het mensenrechtenhof in Straatsburg indienen omdat Nederland aan het verdrag gebonden is. Nederland kan dan tot schadevergoeding worden veroordeeld.

Ongetwijfeld is de belangrijkste vraag of de methoden van Nederlandse MIVD-medewerkers die in Irak gevangenen wakker hielden door ze nat te gooien, ze blootstelden aan ‘zeer hoge geluidstonen’ of zeer fel licht, inderdaad onder de definitie van martelen of folteren te brengen zijn. Of is het ‘alleen maar’ een kwestie van hardhandig verhoren, zoals Defensie het tot nu toe noemt.

Prof. M.T. Kamminga, hoogleraar internationaal recht aan de Universiteit van Maastricht, zegt dat de Nederlandse verhoortechnieken in Irak hem sterk doen denken aan de (verboden) Britse manier van verhoren tijdens het conflict in Noord-Ierland. Die heeft het Europese Hof al in 1978 veroordeeld als een schending van artikel 3 van het verdrag – niet wegens marteling, maar wegens onmenselijke of vernederende behandeling. In deze uitspraak van 18 januari 1978 (Ierland vs. Verenigd Koninkrijk) veroordeelde het Hof vijf Britse verhoortechnieken. Met een blinddoek (hooding) langdurig en gedwongen in een ‘stress positie’ moeten staan (wall-standing), onderworpen worden aan hevig lawaai (subjection to noise), gedwongen wakker houden (deprivation of sleep) en alleen water en brood (deprivation of food).

Veroordelingen in Straatsburg wegens marteling zijn zeldzaam. De zaak Aksoy vs. Turkije (18 december 1996) was de eerste uitspraak waarin de behandeling van een gevangene door een Europees land als marteling werd aangemerkt. Volgens het Hof in de Aksoy-zaak leidt een veroordeling wegens marteling tot een ‘speciaal stigma’ voor een lidstaat – er kan alleen sprake van zijn als het gaat om opzettelijk onmenselijk gedrag waardoor zeer ernstig en wreed lijden ontstaat. Dat was bij Aksoy ruimschoots het geval. Hij was door de Turkse politie onderworpen aan een zogeheten ‘Palestinian hanging’ – met beide armen achter zich gebonden, opgeknoopt aan het plafond. Zijn armen raakten verlamd.

In een zaak uit 1999 (Selmouni vs Frankrijk, 28 juli) zegt het Hof echter dat het in de toekomst strenger zal oordelen bij schendingen van artikel 3 en dus ook eerder zal oordelen dat er sprake is van marteling. „De steeds hogere norm die noodzakelijk is bij de bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden, leidt tot een strengere benadering bij het beoordelen van inbreuken op fundamentele waarden van democratische samenlevingen”, aldus het Hof. Daarbij was sprake van een verdachte die door de Franse politie was geslagen, vernederd en mishandeld.

Kamminga meent dat het Nederlandse optreden in Irak tegen deze gevangenen in ieder geval als ‘onmenselijk’ kan worden gekwalificeerd. Dat Defensie er geen melding van maakte bij Justitie is volgens hem in strijd met alle verplichtingen op dit terrein.

Nederland werd in juli 2005 door het Hof veroordeeld wegens inbreuk op artikel 3. Niet omdat het zelf zou hebben gemarteld, maar omdat het door uitwijzing van een afgewezen asielzoeker/dienstweigeraar uit Eritrea de kans accepteerde dat die bij aankomst zou worden gemarteld.

In VN-verband worden verhoormethoden zoals die kennelijk door de Nederlandse militairen zijn gebruikt, makkelijk aangeduid als marteling. De Maastrichtse hoogleraar T. van Boven schreef in één van zijn rapporten als ‘Speciaal mensenrechtenrapporteur’ in augustus 2004 naar aanleiding van de misdragingen van Amerikaanse militairen in de Abu Ghraib gevangenis, dat luide muziek gedurende lange periodes, blinddoeken, en uit de slaap houden, neerkomen op marteling.