Gestampte meisjes

Remco Campert: Een geschenk uit de hemel. De Bezige Bij, 64 blz. € 10,–

Het moet ergens begin jaren dertig zijn. De kleine Remco zit met zijn moeder en een tante in een theesalon. Hij draagt een matrozenpakje, drinkt ranja, mag niet wiebelen, en de tante heeft het over taartjes die zo lekker zijn dat het is ‘alsof een engeltje op je tong piest’. Dat piesende engeltje is maar één van de vele vreemde zegswijzen uit Een geschenk uit de hemel, een boekje vol met de wonderlijke taal die volwassenen gebruiken. Meestal horen die volwassenen zelf niet meer wat ze zeggen.

Alleen kinderen horen dat. En Remco Campert. Hij blijkt zich precies te kunnen herinneren (of heel goed opnieuw te kunnen verzinnen) hoe vreemd sommige dingen klonken in zijn kinderoren. Zo vraagt hij zich af, in het titelverhaaltje, wat er toch bedoeld wordt met ‘een geschenk uit de hemel’: ‘Boven opende ik, na een stoel beklommen te hebben, het dakraam van de zolderkamer en ging staan wachten tot er ook voor mij een geschenk uit de hemel neer zou komen dalen’.

Zo hangt elk van deze 26 miniatuurtjes samen met een woord of een uitdrukking die door het kind letterlijk worden genomen. Dat lijkt misschien een al te makkelijk maniertje. Toch is wat de 77-jarige dichter hier doet niet zo simpel als het op het eerste gezicht lijkt. Het gaat over meer dan taal alleen – of liever gezegd: het gaat over wat taal allemaal met zich mee brengt. Een wereld die verloren is gegaan bijvoorbeeld, van snoepjes bij kruideniers en van ‘wat zeg je dan?’. Een wereld waarin wordt gefluisterd over een ‘afgelikte boterham’, die het kind doet denken aan de gestamptje muisjes die hij van zijn brood likt, en die ook weer vragen bij hem oproepen, vooral daar de kleine Remco lang dacht dat het om ‘gestampte meisjes’ ging: ‘Werden hun kleertjes en hun schoentjes meegestampt? Smaakten ze van zichzelf naar anijs of werd die later toegevoegd?’

Bovendien is die onbegrijpelijke taal de uitdrukking van iets groters: de kloof tussen de wereld van de volwassenen en die van het kind. Wat voor zijn moeder waarschijnlijk een catastrofe is, is voor de kleine Remco gewoon zijn vader ‘met een tante die nieuw was. Hij gaf haar zoentjes’. Dit jongetje is zo sterk gescheiden van de volwassenen, dat hij denkt dat het voor altijd is: ‘Later, als ik groot was, mocht ik allerlei dingen die ik nu niet mocht, maar het werd nooit later. Het was altijd nu’.