Gelazer is wat mensen bindt

De personages bij Said El Haji en Naima El Bezaz zoeken hun weg in multicultureel Nederland. De queeste is vergeefs: ze worden op zichzelf teruggeworpen.

Naima El Bezaz: De verstotene. Contact, 246 blz. € 16,90

Said El Haji: Goddelijke duivel. Prometheus, 224 blz. € 16,95

Toen in 2000 de Boekenweek werd gewijd aan het thema ‘Schrijven tussen twee culturen’ gebeurde dat in een sfeer van opgewektheid en verrijkingsdenken. Vooral heerste er optimisme over de opkomst van een nieuwe generatie jonge Marokkaanse schrijvers. Inmiddels hebben de meeste auteurs van die generatie hun plaats gevonden: Hafid Bouazza en Abdelkader Benali zijn niet meer weg te denken uit het Nederlandse literaire circuit en Khalid Boudou (Het schnitzelparadijs) doet het goed in het wat vrolijker genre.

Aanmerkelijk stiller was het de afgelopen jaren rondom Said El Haji (in 2000 als groot talent binnengehaald na De dagen van Sjaitan) en Naima El Bezaz (op haar 21ste gedebuteerd met De weg naar het Noorden, en begin 2002 nog auteur van Minnares van de duivel). Niet dat de twee auteurs stilgezeten hebben. Beiden mengden zich regelmatig in het integratiedebat, dat na september 2001 losbarstte en dat veel van de multiculturele waarden op losse schroeven zette.

Die veranderde sfeer in multicultureel Nederland is meteen terug te vinden in het begin van El Haji’s nu verschenen tweede roman Goddelijke duivel. Daarin wordt de hoofdpersoon, een schrijver van berberse komaf, midden in de nacht gewekt door lawaai op straat: een amokmakende Marokkaan die, op zoek naar shoarma, de halve stad wakker schreeuwt. ‘Ik heb hem nooit gemogen’, fulmineert de hoofdpersoon in gedachten, ‘omdat hij iedereen tot dezelfde achterlijkheid dwingt als waartoe zijn lot hem gedwongen heeft. Een steroetiep geval van „tussen twee culturen”, als je het mij vraagt, want hij kan niet kiezen.’

De reactie van de hoofdpersoon op deze Zatot de Barbaar, is opmerkelijk. Hij slaat op de vlucht. Hij verlaat huis en haard en meldt zich in de Verenigde Staten in een soort commune voor schrijvers van verschillende komaf. In die ‘Verenigde Naties der Letteren’ speelt vervolgens de eigenlijke roman zich af; ver van het multiculturele Nederland.

In El Bezaz’ De verstotene, heeft die vlucht zich al veel eerder voltrokken. De hoofdpersoon van haar boek, Mina, is een dochter uit een gemengd Nederlands-Marokkaans huwelijk die geheel met haar allochtone achtergrond heeft gebroken: ze noemt zich Amelie, föhnt de krullen uit haar haar, woont met een oudere vriend in Amsterdam, en geniet van een leven volgens de ideologie van het oppervlakkig materialisme.

Een wereld, kortom, die is gemaakt om in te storten. Dat gebeurt wanneer Amelies vriend haar in de steek laat en ze, in de slipstream van dat verdriet, overspannen raakt. Beroofd van haar ankers verliest ze zich in seksuele losbandigheid, drank- en medicijngebruik, afgewisseld met aanvallen van fotoboek-nostalgie waarin herinneringen aan haar islamitische jeugd naar boven komen. Daarbij is El Bezaz niet subtiel. Dat geldt bijvoorbeeld voor de seksscènes. Zo bedrijft Amelie orale seks in een donker steegje met een ambitieuze vrouwelijke collega, onder de ogen van een dakloze: ‘Ik zag zijn dikke paal in zijn verweerde handen en zijn openstaande mond en de tong die tussen zijn lippen schoot als die van een serpent, en ik kwam gillend klaar.’

Van dik hout zaagt men planken is ook het motto in de psychologische inkleding van Amelies drama: de breuk met haar familie berust op de daden van een wel erg fanatieke moeder (een tot de islam bekeerde autochtone Nederlandse), aanranding en ernstige mishandeling. Voeg daarbij de uitgesponnen schets van Amelies Amsterdamse leven aan het begin van de roman en je weet dat De verstotene literair gezien slechts bij vlagen interessant is.

Het onderliggende thema van het boek is dat echter wel. Want El Bezaz plaatst haar personage midden in het gat ‘tussen twee culturen’. Het gebrek aan vrijheid in haar oorspronkelijke moslimgemeenschap maakt het leven daar voor haar onverdraaglijk en zelfs gevaarlijk. Maar het enige dat zij tussen de Hollanders ontdekt is eindeloze vrijheid, en die volstaat niet voor een betekenisvol leven. Zo laat De verstotene een beeld zien dat net een kwartslag gedraaid is van de analyse die aan het begin van El Haji’s roman wordt gemaakt. Tussen twee culturen zitten is bij El Bezaz geen kwestie van niet kunnen kiezen, maar van gekozen hebben en niet meer terug kunnen. En ook niet verder kúnnen, trouwens.

El Haji gooit het in Goddelijke duivel over een andere boeg. Hij laat zijn hoofdpersoon niet vluchten naar een oppervlakkige, materiële wereld, maar naar het tegenovergestelde: de al genoemde Verenigde Staten der Letteren. Dat is een in Iowa gesitueerde literaire kolonie waar schrijvers samenkomen die op zoek zouden moeten zijn naar iets wat betekenis geeft. Die queeste vermengt zich met erotische en machtsspelletjes, in de traditie van de congresroman.

In tegenstelling tot El Bezaz is El Haji niet bang om de zaken ingewikkeld te maken. Droom, werkelijkheid en mythe lopen in Goddelijke duivel veelvuldig door elkaar. De verhaallijn is grillig en El Haji schuwt de literaire verwijzing niet: zo beweegt zich tussen de congresgangers een zekere Bernardo Soares, het heteroniem dat Fernando Pessoa gebruikte om zijn Boek der rusteloosheid aan toe te schrijven.

De hoofdpersoon van het boek heeft ook veel van een afsplitsing. Hij lijkt heen en weer geslingerd te worden tussen het bestaan van een vriendelijke jonge schrijver en dat van een duivels wezen. Want hoewel hij voor de buitenwereld een redelijk mens en zelfs een bruggenbouwer is, beziet hij de wereld met agressieve oprispingen als: ‘Het is echt zo’n dag waarop de mensen niet opzij willen gaan als ik langsloop, of ze doen het op zo’n manier dat ze tegen me opbotsen.’

Wat levert de vlucht naar de Verenigde Staten der Letteren El Haji’s held uiteindelijk op? Veel contact met kleurrijke collega-schrijvers. Die vliegen elkaar in de haren over vragen als wie meer sympathie verdient, Dante of Milton. Het zijn taferelen die El Haji met aanstekelijke ironie beschrijft. Zoals hij zich toch al niet laat inpakken door de idealistisch-euforische sfeer van het schrijverssamenzijn: ‘Gelazer is wat de mensen verbindt, ik mag doodvallen als het niet waar is’. Tussen twee van de aanwezige schrijfsters, de zelfdestructieve Ofra Hoentaaz en de duivels aantrekkelijke Kazachse Fenitsjka Bozhkova komt de hoofdpersoon uiteindelijk klem te zitten.

Maar El Haji maakt het de lezer wel erg ingewikkeld. Want het pandemonium aan stemmen, indrukken en verwijzingen in Goddelijke duivel mist een schrijver die het geheel duidelijk richting geeft. Waar El Bezaz veel te eenduidig is in haar roman, verliest El Haji zich in meerduidigheid. Daarbij komt dat El Haji niet alleen een talent heeft voor rake beschrijvingen, maar ook voor ontsporende zinnen: ‘Ik heb het moderne moeras gezien via de ogen van al de wezens die er dolen, die talloze universa, en kan dan eindelijk concluderen dat vluchten noodzakelijk is, het hele leven een vlucht voor en een ontkenning van het wereldlijke moeras door middel van droom en fantasie, de anatomie van iedere queeste.’

Tegenover die bezwaren staat dat El Haji wel een authentiek gevoel van uitzichtloosheid oproept. Het verlangen om op te gaan in een Verenigde Staten der Letteren is moeilijk anders te lezen dan een verlangen om door de literatuur verlost te worden uit het ‘wereldlijke moeras’. Die queeste is vergeefs voor alle schrijvers in de gemeenschap in Iowa: stuk voor stuk worden ze op zichzelf teruggeworpen.

Uiteindelijk blijven de helden uit El Haji’s roman en die van El Bezaz op dezelfde manier hangen tussen twee culturen. De keuze die in het begin van Goddelijke duivel wordt verordonneert, blijkt in de praktijk onmogelijk. Niet uit onwil om te kiezen, maar uit gebrek aan controle. Met die even pessimistische als actuele visie bevinden zij zich internationaal gezien in goed gezelschap, bijvoorbeeld van de met de Booker Prize bekroonde Kiran Desai (The Inheritance of Loss). Zij het dat het literaire niveau van dat boek voor de twee Nederlanders nog te hoog gegrepen is.