Geen levensdoel, dat is een vieze ziekte

Jürgen Hofmeester, de hoofdpersoon van Tirza, lijdt aan angst voor zinloosheid en verlies van controle. Maar wordt hij zo een moordenaar?

De aangepaste Jürgen Hofmeester uit Grunbergs roman Tirza lijkt in helemaal niets op de gestoorde moordenaar François Lepeltier uit Marek van der Jagts Gstaad 95-98. Typerend voor het personage Hofmeester is angst voor controleverlies. Lepeltier is in alles een beest, Hofmeester zoekt vergeefs naar een beest in zichzelf. Voortdurend wachten we op het moment dat de afgedankte redacteur buitenlandse fictie bij een gerenommeerde uitgeverij, de aan de dijk gezette echtgenoot, de mislukte vader, de vernederde huisbaas en de bij de neus genomen belegger zijn zelfcontrole kwijt raakt. Maar dat gebeurt niet.

De man lijkt als twee druppels water op vrijwel alle mannen van middelbare leeftijd die wij op ouderavonden van het Barlaeus- of Vossius Gymnasium kunnen tegenkomen of met een aktetas onder hun arm gewichtig door de vertrekhal van Schiphol zien wandelen. Hij lijdt, zegt hij zelf, aan de ziekte van de blanke middenklasse, sterker: hij is die ziekte. Een zieke, zoals zijn dochter Tirza die bijna sterft aan anorexia, kan genezen, een ziekte blijft in de kiem altijd aanwezig.

Deel 1 van Tirza heet ‘De huur’ en lijkt een omdraaiing van een belangrijke scène in Marja Brouwers roman Casino, waarin een huurder, gesteund door allerlei wettelijke regels, een huiseigenaar in de Van Eeghenstraat kan oplichten en uitnemen. Jürgen Hofmeester woont ook in de Van Eeghenstraat waar hij zijn bovenverdieping voor veel geld verhuurt en zijn huurders uitperst. Zo bouwt hij een kapitaaltje op dat hij door het te beleggen in een hedge fund in één klap verliest. Hem wordt verteld dat dit de schuld is van de wereldeconomie en van 11 september en dus van Mohammed Atta en de zijnen, kortom ‘de’ moslims.

De controlefreak beseft dat hij nergens controle meer over heeft en ontpopt zich als een regelrechte xenofoob. Als zijn jongste dochter Tirza met een Marokkaans vriendje thuiskomt, probeert hij haar ervan te overtuigen dat ze zich in de armen heeft gestort van Mohammed Atta of diens broer of neef. Dat levert geestige dialogen op tussen vader en dochter, die doen denken aan sommige absurdistische columns van Piet Grijs, met wie Jürgen ook in andere opzichten iets gemeen heeft.

Zoals het een nette blanke middenklasse-man betaamt wil Hofmeester het beste voor zijn kinderen. Als zijn vrouw hem verlaten heeft voor een jeugdliefde en oudste dochter Ibi na een neukpartij met de huurder het huis heeft verlaten, voedt hij op meer dan voorbeeldige wijze in zijn eentje Tirza op. Hij noemt haar zijn platonische minnares, omdat hij zich nooit aan haar vergrijpt, hoe ze daar ook om smeekt. Het dichtst in de buurt van incest komt Hofmeester als hij Tirza tegen betaling midden in de nacht op haar cello laat spelen. Kort daarvoor heeft hij zich op haar eindexamenfeest laten gaan met een klasgenootje van Tirza – tamelijk onschuldig, want met volledige instemming van het meisje. Ook in seksueel opzicht beheerst hij zich, het beest waarvan hij denkt dat het in hem huist komt nooit naar buiten.

Intussen zien we wel hoe deze beheerste man met de dag wanhopiger wordt over zijn eigen nihilisme. Hij blijkt niet opgewassen tegen zijn overbodigheid – en wie is dat wel? Na God en de vooruitgang heeft hij ook de liefde willen afschaffen, maar dat is niet gelukt. Nu dreigt de liefde hem af te schaffen. Tirza verruilt haar vader voor haar Marokkaanse vriendje met wie ze in Afrika de ziekte van de zwarte onderklasse gaat bekijken. ‘De ellende van anderen geeft haar een levensdoel’. Jürgen heeft geen levensdoel – dat is de ziekte die hij personifieert. Een hele vieze ziekte. ‘Het komt hem voor dat hij altijd al vies is geweest, voor zichzelf en voor anderen, en dat zijn pogingen naderbij te komen niets anders waren dan pogingen minder vies te zijn, In dat ene achteloos uitgesproken woordje (vies) zit, zo lijkt het, de kern van zijn existentie.’

Volgens Arnold Heumakers (zie Boeken vorige week) verliest Jürgen uiteindelijk wél de controle over zichzelf, waardoor hij in een monster verandert en tot incestueuze moorddadigheid vervalt. Maar dat hij zijn moordfantasieën in de praktijk brengt, zoals Heumakers veronderstelt, is een te eenduidige conclusie. Jürgen zelf twijfelt daar zelf ook aan, als hij in Namibië op zoek is naar de verdwenen Tirza. Hij weet niet meer wat spel is geweest en wat werkelijkheid. Aan het einde van de roman kan Jürgen gewoon naar huis terugkeren, hij wordt niet al op Schiphol ingerekend, maar in de Van Eeghenstraat door journalisten met camera’s opgewacht. De vraag of Tirza dood of levend is, blijft onbeantwoord.

Interessant detail is dat Jürgen zijn fantasiemoorden pleegt in het huis van zijn overleden tot het geloof bekeerde ouders in de Betuwe. Uitgerekend daar laat hij het gedroomde beest in zichzelf los, in een kamer waar zijn ouders zich ooit opsloten, omdat ze bang waren dat het dorp erachter zou komen dat ze van huis uit ‘niets’ waren. Door zich te bekeren, geloofden zijn ouders dat ze genezen waren van de ziekte die ‘niets’ heet. Om te bewijzen dat ze genezen waren sloeg Jürgens vader publiekelijk een jood half dood.

Hofmeester verpersoonlijkt dezelfde ziekte als die waar zijn ouders aan leden, en waarvan de anorexia van zijn dochter Tirza ook een symptoom is: de angst voor zinloosheid en controleverlies. Grünberg plaatst die angst midden in ons post-9/11 tijdperk, hij maakt haar tastbaar en inzichtelijk, hij toont mededogen maar lacht tegelijk de middenklasse in haar gezicht uit. Wie hiervan de noodzakelijkheid betwist, durft misschien niet in de spiegel te kijken.