Door de ogen van Ruisdael

Bomen doen weinig om je aandacht te trekken. Hun aanwezigheid lijkt vanzelfsprekend. Deel zeven van een serie.

Ruisdael was in feite de eerste die bomen portretteerde. Dat had Wouter Kloek (61, conservator bij het Rijksmuseum) me al door de telefoon gezegd. Nu zaten we aan weerszijden van een met kunstboeken bezaaide tafel. Kijk even mee.

Jan van Scorel (rond 1530): een mansportret met bomen ergens in de hoogte, populieren, dun in het blad; het is herfst en dat past goed bij de melancholieke gelaatsuitdrukking van die man. Maar Van Scorel heeft dezelfde bomen, net zo herfstig, gebruikt bij een madonna met kind. Bomen als achtergrond.

Cornelis Vroom (rond 1638): een fraai uitdijende riviermonding. Hier zijn bomen prominent aanwezig, maar nog steeds ornamentaal. Het gaat niet om de bomen, het gaat om het doorkijkje, die riviermonding. Bomen als voorgrond.

Maar dan Jacob van Ruisdael (rond 1648). Zijn befaamde ets van een eik. Er staat méér op (wandelaars met hond zelfs), maar de boom domineert. Hij heeft geworsteld en hij staat!

„Dit is toch fabelachtig”, zei Kloek. „Dit is bijna meer een eindpunt dan een beginpunt.” „Je bedoelt dat dit onovertroffen is?”

„Eigenlijk wel. Dit is de boom. En dit is ook waarom de mensen altijd verliefd zijn gebleven op Ruisdael.”

Bij Ruisdael, zeker in zijn vroege werk, gaat het wel degelijk om de bomen. „Ik zal niet zeggen”, zei Kloek, „dat hij ze heeft uitgevonden. Mensen hebben uiteraard altijd aandacht voor bomen gehad. Maar hij was wel de eerste die oog had voor het schilderachtige ervan.” „Enig idee wat hem dreef?” vroeg ik.

„Wisten we dat maar. Later was hij ongelooflijk populair bij de romantici. Maar ik zie Ruisdael niet als iemand die zijn stemmingen over de natuur legt. Ik zie hier niet de nietigheid van de mens in de wereld, geen memento mori. Ik zie eigenlijk puur het plezier van het afbeelden.”

„Met een goed gevoel voor drama.” „Natuurlijk, ja. Veel geruïneerde of dode bomen.”

„En daar was markt voor.”

„Kennelijk”, zei Kloek. „Hij heeft zevenhonderd schilderijen gemaakt. En hij heeft altijd goed voor zijn vader gezorgd, dat vind ik ook wel een sympathiek trekje.”

Daarna verdiepten we ons in een paneel uit zijn jeugdjaren, Landschap met hut. Ook hier staat méér op (boerderijtje, vrouw gebogen over de onderdeur enzovoorts), maar het gaat om de bosschage die het hele rechterdeel in beslag neemt: een goudbelichte, zwaar geteisterde maar lévende knotwild, een opgaande eik en een masse ondergroei – vlier, bloeiende vlier, Ruisdael moet dol zijn geweest op vlier.

„Met wat een liefde dit gedaan is”, zei Kloek. „Wat een ongelooflijke vreugde in ’t kleine hout.”

„Het lijkt wel of je dit nog bijzonderder vindt dan de ets van die eik.”

„Het vergt een heel bijzondere manier van kijken om te zien dat zo’n knotwilg móói is, of zo’n wildernisje met vlier.”

Ruisdael zag dat. Misschien was hij gewoon iemand met een diepgewortelde belangstelling voor de natuur. Dat is het enige óngewone dat hij zo knap kon schilderen. Bij de watervallen die hij later maakte, heb je het gevoel dat het water over je schoenen spoelt.

„Loop je zelf wel eens buiten?” vroeg ik. „Heel graag.”

„En zie je dan wel eens iets Ruisdael-achtigs?”

„Dat is eigenlijk niet de bedoeling”, zei Kloek. „Ik heb een leermeester gehad, die was daar erg streng in. Je komt van de natuur tot de kunst, niet andersom.”

Maar het is onvermijdelijk. De één heeft het bij een omgewaaide duindoorn op Bloemendaal, de ander bij de Wodanseiken in Wolfheze – op eens die gewaarwording: Ruisdael! In feite plaats je dan een beeld, dat door hem uit de natuur werd genomen en op doek gezet, een moment terug in de natuur.

Goed, tot zover de kunsthistoricus. Intussen heb ik reproducties van Ruisdaels aan een echte bomenman laten zien. Die was sceptisch over alles wat tot dusverre eik wordt genoemd. Ja, die stam wel, maar dat loof, veel te fijn voor eik. Daar gaat mijn verhaal, dacht ik al. Maar toen kwamen we bij een detail, een uitvergroting van die goudbeschenen knotwilg. Was het wel een wilg?

„Jawel”, zei de echte bomenman. „Een wilg. Die uitlopers, dat is tweejarig hout. En die mossen, en die gaten met varens, en die zwammetjes – elfenbankjes. Heel goed gedaan.”