De strijd om het grootste cool

Nooit eerder gehoord, de term ‘pseudo-getto’. De Brits-Aziatische schrijver Gautam Malkani, te gast op het Haagse Crossing Border-festival, gebruikte hem in een interview dat afgelopen woensdag in deze krant stond. Wat is het geval? Volgens Malkani zijn Brits-Aziatische jongens zo dol op Afro-Amerikaanse hiphop, omdat die hen een model van mannelijkheid biedt dat ze thuis bij hun dominante moeders en hun door de maatschappij afgedankte vaders niet vinden. Hounslow, de West-Londense voorstad die Malkani in zijn bestseller Londonstani beschrijft, is een middenklassewijk. Maar Malkani’s vrienden doen alsof het een getto is. Veel echter. Veel stoerder.

Daarom spreekt Malkani liever van ‘subcultuur’ dan van ‘etniciteit’, zei hij, als het om jongeren gaat. „Een subcultuur is een veel positiever begrip dan etniciteit: een subcultuur is poreus, beweeglijk. Met een subcultuur kun je lol hebben.”

Subcultuur. Etniciteit en achtergrond spelen wel mee, maar uiteindelijk komt het er tegenwoordig op aan je imago zelf te stylen, in de competitie om het grootste cool. Wie al te origineel is, valt buiten de boot, het gaat erom te doen zoals de anderen, maar net even anders. Juist door dit kuddegedrag met een individueel trekje, door schrijver Jonathan Franzen getypeerd als ‘the identical pursuit of feeling extraordinary’, ontstaan subculturen.

Subcultuur is eigenlijk alweer een beetje een ouderwets woord voor de manier waarop jongeren, autochtoon én allochtoon, hun imago bij elkaar winkelen. Ex-staatssecretaris Medy van der Laan hield het op ‘urban’ jongeren, de hoogleraar cultuursociologie Susanne Janssen van de Erasmusuniversiteit houdt het op ‘smaakculturen’, hoogleraar massacommunicatie Carl Rohde op ‘tribes’, stammen dus.

Ondertussen heeft lang niet iedereen met subculturen lol. Zeven directeuren van grote musea zijn boos dat de overheids van plan is hun subsidie te verlagen als ze niet meer van die ‘urban jongeren’ weten binnen te krijgen. In verschillende vormen probeert de overheid al zo’n zestien jaar het publiek voor kunstmusea te verbreden; met jongeren, met allochtonen, met lager opgeleiden. Dit lukt de musea ondanks af en toe manmoedige pogingen maar mondjesmaat, en sommigen, zoals Wim van Krimpen van het Haags Gemeentemuseum, geven er zo onderhand de brui aan. Wat hij ook probeert, zei Van Krimpen diverse malen, er komt gewoon geen hond kijken.

Voor de strijdende partijen schuilt er hoop in Malkani’s verhaal en in zijn definitie van subcultuur. Want al zijn in deze eeuw opium en armoede verruild voor machismo, bling-bling en snelle auto’s – in hun verheerlijking van rebelse, onmaatschappelijke waarden zijn de subculturen van vandaag niets anders dan de bohémiens van gisteren. Met het werk van die bohémiens hangen de musea nu vol, en iedereen kent het.