De kracht van de onhandigheid

Frans Becker, Wim van Hennekeler en Menno Hurenkamp (red.): Vier jaar Balkenende. WBS jaarboek 2006. Mets en Schilt, 248 blz. € 20,–

Er is vaak gezegd, vooral in terugblikken, dat de PvdA in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw onbedoeld een stevige bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan van het CDA. De vijandige én geringschattende houding van Den Uyls PvdA jegens toenmalige confessionele partijen als KVP, ARP en CHU heeft volgens die redenering mede als aanjager gewerkt van het moeizame fusiestreven van die drie partijen.

De christen-democraten zijn dat bepaald niet vergeten. Zulke geschiedenissen herhalen zich nooit voor honderd procent. Maar dat de negatieve houding van het CDA jegens de PvdA in de kabinetsformatie van 2003 en in de huidige verkiezingscampagne iets te maken heeft met de onaangename manier waarop CDA’ers zich in de paarse jaren 1994-2002 vooral door de PvdA’- ers behandeld voelden, lijkt buiten twijfel.

Dat de vorming van een kabinet van CDA en PvdA in de eerste maanden van 2003 mislukte had dan ook eerder psychologisch en atmosferische dan programmatische oorzaken. Het CDA vertrouwde de PvdA niet. Dat schrijft Frans Leijnse in zijn bijdrage aan het dezer dagen verschenen Vier jaar Balkenende, het jaarboek 2006 van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA. Leijnse, die er destijds als informateur dichtbij zat, wijst er bovendien op dat beide partijen een zeer onderscheiden karakter hebben.

De PvdA, die als pragmatische bestuurspartij in de paarse jaren contact met haar leden en kiezers verloren had, moest onder Wouter Bos een nieuw profiel krijgen. In het CDA had een jonge generatie, die van de calvinist Balkenende, de lichting van oudere zwaargewichten als Lubbers afgelost. De jongelingen werkten aan een ‘herbronning’ van een christelijke partij met een ‘missie’. Een missie waarin gemeenschapsdenken, de eigen verantwoordelijkheid van de burger en moreel besef (normen en waarden) dragende begrippen moeten zijn. Interessant hoofdstuk, dat van Leijnse. Interessant jaarboek ook, al was het maar omdat deze WBS-publicatie zeker niet onkritisch is over de eigen PvdA, die van Leijnse bijvoorbeeld het verwijt krijgt dat zij in paarse tijden te weinig heeft gewerkt aan een ‘ideologisch geïnspireerd sociaal programma’ en het heeft gelaten bij wat ‘links-liberale modernismen’.

Af en toe hilarisch is het hoofdstuk van de Amsterdamse hoogleraar mediastudies Liesbet van Zoonen over de persoon Balkenende. Zij ziet een flink verschil tussen zijn persoonlijke integriteit en zijn professionele capaciteiten als premier, die onvoldoende zijn. Onhandigheid bepaalt zijn authenticiteit en is zijn grootste kracht. Zij het dat hij als ‘kleurloze lege huls’ (of in semiotisch jargon: ‘empty signifier’) zijn uitstraling van integriteit vooral dankt aan het min of meer gelikte profiel van zijn concurrenten, met name Bos.

Journalist Jaap Jansen toont aan dat het ‘linkse blok’ (PvdA, SP en GroenLinks) eigenlijk niet bestaat. Hij herinnert aan een woord van Bos van eind 2002: ‘Als Jan Marijnissen zo’n links meerderheidskabinet wil, kan dat alleen maar met een PvdA die zo rechts mogelijk is. Ik geloof overigens dat in Nederlandse verhoudingen een puur links kabinet onmogelijk is. Een zo progressief mogelijk kabinet met het CDA lijkt me het maximaal haalbare’. Zo was het en zo is het nog steeds.