De koning van de schnaps

‘Openbaringen’ is ....

Hoe een beschouwing over de grote hermetische dichter Paul Celan (1920-1970) te beginnen? Volker Weidermann begint in zijn korte literatuurgeschiedenis Lichtjahre met ‘Zack!’, wat zoiets betekent als ‘Hoppa!’ En dan: ‘Wie deutlich hat er Friedrich Dürrenmatt im Tischtennis geschlagen. Sozusagen von der Platte geputzt.’ Dus Celan heeft Dürrenmatt bij het pingpongen van de tafel geveegd. En daar blijft het niet bij. Even later Dürrenmatts vrouw ook. Hoppa. En hun zoon ook. Hoppa hoppa. Je zou het niet zeggen, als je de magere kalende dichter zag, maar hij was beresterk. Daarna dronk hij bij een goed stuk schapenvlees een fles sterke drank leeg (mirabellenschnaps). De familie Dürrenmatt bleef intussen maar bij de Bordeaux. Daarna dronk Celan nog maar eens een fles, van dezelfde schnaps, en nog wat glazen rode wijn erbij. Daarna was het tijd om naar de sterren te gaan kijken, het ronde glas te bedichten en eens wat versregels te improviseren, te dansen, Roemeense volksliedjes te zingen en communistische strijdliederen – alles met veel bravoure.

Wat een levendig begin van een stuk over Celan, die niet bepaald als tafeltenniskampioen in de literatuuroverzichten is beland, en ook niet als de koning van de mirabellenschnaps. Eerder als een sombergestemde, zijn lezers voor raadsels plaatsende modernistische dichter van joodse komaf, die na een nare jeugd de gruwelen van de oorlog maar ternauwernood had overleefd, zijn familie verloren, gevlucht en als balling in Parijs beland. Toen ook nog eens valselijk van plagiaat beschuldigd, steeds meer geplaagd door achtervolgingswaan, zich steeds schuldiger voelend als overlever, steeds depressiever, steeds vaker in inrichtingen opgenomen, steeds meer in een isolement geraakt. Op 20 april 1970 pleegde hij zelfmoord door in Parijs in de Seine te springen.

Die dingen vermeldt Weidermann ook wel. ‘Paul Celan war der unglücklichste Dichter Deutschlands.’ En hij geeft en passant ook nog wel een treffende karakteristiek van Celans poëzie, en een paar regels uit zijn beroemde gedicht ‘Todesfuge’ – zijn beeld van de kampen. Maar dat komt allemaal pas na het tafeltennissen en het zingen, zodat je vanaf het begin verrast rechtop zit en het hele stuk over Celan (het is maar anderhalve pagina lang) geboeid leest. Zo doet Weidermann (1969, journalist bij de Frankfurter Allgemeine Zeitung) het steeds in zijn Lichtjahre, een verfrissend overzicht van de Duitse literatuur van 1945 tot nu, in maar driehonderd bladzijden: verrassende biografische invalshoeken, snelle overgangen, scherpe karakteristieken, met veel vaart en humor verbonden.

Zo moet een literatuurgeschiedenis zijn: licht en levendig en nieuwsgierig makend. Eindelijk durfde ik mijn twee Celan-bundeltjes uit de kast te halen, nog nooit eerder gelezen – geïmponeerd als ik was door het imago van de Auschwitz-dichter, bang voor zoveel leed en waanzin, bang ook voor de vracht aan secundaire literatuur die er in de loop der jaren over was uitgestort. Eigenlijk was hij een dode naam voor mij, een dichter die je maar goed had te vinden – nu door drie potjes tafeltennis en twee flessen mirabellenschnaps zomaar tot leven gewekt.

Mag dat? ‘W.H. Auden vond biografieën irrelevant, maar ik geloof dat een onderzoekende blik op het achterdoek veel onbegrip en abstrahering kan voorkomen’, las ik toevallig dezelfde week, in Dichters van het Avondland – het boek van Benno Barnard waarin hij tien dichters nareisde. Zo kwam hij ook aan in Czernowitz, in de Oekraïne, de geboorteplaats van Celan. Hij liet zich daar rondleiden door een plaatselijke Celan-deskundige. Zo bevond hij zich dan opeens ook in de Ul. Saksaganski, nummer 5, het geboortehuis. In één kamer woonde Celan dertien jaar lang met zijn ouders. Later kregen ze er de kamers aan de straatkant bij, en had Paul uitzicht op kastanjebomen die nog in een gedicht zijn beland. Zoiets geeft toch achtergrond – ook al zijn die bomen ‘allang omgehakt’. Zo vindt Barnard, in zijn zoektocht naar ‘achterdoek’, een leeg uitzicht. Dat mag teleurstellend klinken, maar toch verlevendigt ook dat het beeld van de dichter.

De Celan-deskundige wijst erop dat de dichter zelf begrippen als hermetisme en esoterisme van de hand wees. Hij beweert dat achter elke hermetische regel een gegeven uit de werkelijkheid staat. En, ook mooi: typische Celan-samenstellingen als ‘ademkristal’, ‘spreektralie’ en ‘boetesneeuw’ zijn geen psychotische nieuwvormingen of duistere symbolen, ‘maar bestaande woorden, eenzame woorden, enkel terug te vinden in gespecialiseerde lexicons, die Celan als het ware liefdevol opsloot in zijn gedichten, om ze te bewaren.’ Zoiets geeft toch ‘achterdoek, ja, en meer achterdoek dan bladzijden vol geleerde beschouwingen over intertekstuele verwijzingen en syntactische eigenaardigheden.’

Een realistisch dichter werd Celan er niet meteen door, maar mijn Celanvrees en -eerbied werden er nog meer door weggenomen. ‘Ze liggen bloot, de ertsen, de kristallen, / de geoden. / Tot taal verhard / onthult het ongeschrevene / een hemel.’ Welkom in de wondere wereld van een bijzondere dichter. Ik kreeg er wel schik in, in rare woorden als ‘harnasstriemen’, ‘plooiings-assen’, ‘kloofroos’ en ‘noorderwaarheid’. In bijna geestige dooddoeners als ‘Waar ijs is, is koelte voor twee.’ En: ‘Niemand kneedt ons nogmaals uit aarde en leem.’ Mooi. Maar gemakkelijk is het niet: ‘Wanneer ik de homp lucht / kneed, ons voedsel, / desemt hem de / letterglinster uit / de waanziek-open / porie.’ Al wandelende door deze rare regels viel mij steeds meer de overeenkomst met de wonderlijke poëzie van Hans Faverey op – in aanpak, sfeer, constructies, woordkeus en bedoelde of onbedoelde humor. En allebei waren ze goede sneeuwdichters. Het zou ermee te maken kunnen hebben dat bij beiden meer dan eens de gedachte voorkomt dat taal alleen maar een verstoring is, een tijdelijke verminking van de stilte die eeuwig en altijd en overal is. Aan het eind van ieder gedicht sneeuwt de bladzijde langzaam weer dicht.

Ook om de gedichten van Faverey ben ik jarenlang met een grote boog heen blijven lopen. Ik durfde er pas op af te stappen toen ik in een biografische schets had gelezen dat Faverey zo kon genieten van het schaatsen van Kees Verkerk, een schaar van Piet Keizer en de beroemde penalty van Panenka. Tafeltennissen zou hij vast ook prachtig hebben gevonden. En dan daarna een glaasje mirabellenschnaps – al was het maar om het woord.