De bijbel, maar dan naverteld door ongelovige zielen

Jan Blokker & zn vertellen de bijbel na.

Voor wie de 2500 bladzijden van het oude en nieuwe testament toch wat veel zijn.

‘Ineens, als de bijbel is gevorderd tot het Nieuwe Testament’, zo schrijft Jan Blokker in de ‘Bijbelse geschiedenis’ Er was eens een God, ‘lees je een precieze en verifieerbare tijd- en plaatsaanduiding’. Toegegeven, maar één evangelist, Lucas, betoont zich zo’n kalendervaste historicus, maar hij laat dan ook geen tijdsdetail onvermeld: ‘In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus Judea bestuurde en Herodes tetrarch was over Galilea...’ Zo gaat het twee verzen lang door met landvorsten en hogepriesters, wier dienstjaren stuk voor stuk bijdragen aan een zo nauwkeurig mogelijke datering. Zo exact is het in de bijbel nog nooit geweest, schrijft Blokker. ‘De auteurs verkondigden een actuele boodschap [...]. Je zou ze eigenlijk kroniekschrijvers kunnen noemen, als hun eerste doel niet de verkondiging was geweest – de vrome ijver om de tijdgenoot te bekeren tot de blijde boodschap van het nieuwe geloof.’

Die laatste opzet hebben de schrijvers van deze nieuwe Bijbelse geschiedenis niet. Vader Jan Blokker en zijn zoons Jan jr. en Bas gaat het in de eerste plaats om de literatuur: ‘De schoonheid en de vitaliteit van de bijbelse geschiedenis raken de ongelovige even trefzeker als degene die haar voor waar houdt’. Dat zal menigeen hen nazeggen – ook degenen voor wie de bijna tweeëneenhalfduizend bladzijden van de NBV (de Nederlandse bijbelsvertaling) wat al te veel is. Op hun behoeften lijkt Er was eens een God te zijn toegesneden, zoals de oude bijbelse geschiedenissen dat in hun tijd waren. Gezien het verkoopsucces dat het boek nu al heeft, hebben de auteurs daarmee in de roos geschoten. Wie op zoek is naar een enthousiaste en toch redelijk beknopte hervertelling van de bijbelse verhalen kan zich nauwelijks beter wensen. Opgesierd wordt het boek door prenten van J.H. Isings, die als illustrator door de auteurs eerder al aan de vergetelheid was ontrukt in hun niet ‘vaderlandse geschiedenis’: Het vooroudergevoel.

Zestig platen van Isings zijn in het boek opgenomen, en vaak werkt dat, al komen niet alle afgebeelde episoden in de hervertelling aan bod. Op de beste momenten drukken deze platen niet alleen de spanning van het verhaal uit, maar ook de voorstelling die wèl gelovige lezers van de bijbel zich daarbij moeten hebben gemaakt. Bijna archetypisch is de afbeelding van David, spelend op de harp voor een steeds depressiever en wantrouwiger Saul.

Maar niet minder veelzeggend, zo schrijft Bas Blokker, zijn de platen die enkele bladzijden verder het hof en de tempel van Salomo afbeelden. Hoe verfraaid de afbeelding van David ook geweest mogen zijn, ze ademt een geloofwaardigheid, die de prenten van Salomo missen. Koel en steriel doen die laatste volgens Blokker vermoeden dat Isings een slag om de arm hield. En terecht, want de heerlijkheid van deze koning zijn niet meer dan literaire verdichtingen uit een veel latere periode.

Daarmee komt al iets naar voren van de dubbelzinnigheid van deze nieuwe bijbelse geschiedenis. Want welke ‘geschiedenis’ vertelt dit boek eigenlijk? Is het de historie die ons door de bijbel zelf wordt voorgehouden – en die wij lezen ‘onder tijdelijke opschorting van ons ongeloof’, zoals Coleridge het literaire lezen omschreef? Dat lijken de Blokkers wel te beogen, wanneer zij de nadruk leggen op de wereld en de personages van de verhalen die ook de ongelovige zo ‘trefzeker’ raken.

Dat laatste was ook het geval bij de klassieke bijbelse geschiedenissen, die zich al evenmin om ‘ongeloof’ bekreunden. Bij hén loste iedere twijfel op in de religieuze overtuiging dat het vertelde inderdaad ooit zo gebeurd was. Het literaire ‘geloof’ kijkt daarentegen alleen naar de overtuigingskracht van de fictie. Dat zijn allebei beperkte, maar coherente visies – waarin illustraties als die van Isings moeiteloos hun weg kunnen vinden. Voor de gelovigen beelden ze uit hoe het was, voor de ‘literairen’ hoe de verbeelding werkt. Maar wat betekenen ze in de Blokkerbijbel?

Hierin volstaan de auteurs immers niet met een literaire benadering van de bijbel. De geschiedenis die daarin beschreven wordt heeft wel degelijk te maken met de échte historie, zoals Lucas benadrukt wanneer hij het begin van zijn evangelie dateert in termen van de politieke geschiedenis. Terecht merken de schrijvers dan ook op dat het bijbelverhaal niet alleen een sprookje is – zoals hun titel even lijkt te suggereren – maar een lezing van de historie in het licht van een geloofsovertuiging. Die laatste delen zij niet, maar iets ‘echts’ zoeken zij wel – en daarom contrasteren zij de bijbelse verhalen steeds met wat wij op grond van opgravingen en andere bronnen weten van de feitelijke geschiedenis van het Midden-Oosten.

Die blikverbreding levert even interessante als ontnuchterende inzichten op, maar het maakt het boek ook dubbelzinnig. Minder dan een na- of hervertelling van de bijbelse verhalen is het vaak een beschouwing over die verhalen. De auteurs doen een stapje terug en buigen zich over de deugden en ondeugden van hun protagonisten, de alternatieven die hun hadden opengestaan en de betekenis van hun daden. Dat levert meeslepende passages op, maar ‘bijbelse historie’ is het minder dan een bespiegeling over figuren wier status even ongewis is als die van de platen van Isings.

Ongetwijfeld schuilt die dubbelzinnigheid in de bijbel zelf, die immers een geloofskroniek is. De spanning tussen feit en fictie verdwijnt erin alleen met de opschorting van het ongeloof, hetzij van literaire of van religieuze snit. Maar wie geen van beide wil opgeven, ziet zich geplaatst voor een bijna onoplosbare puzzel waarop wetenschapsjournalist Marcel Hulspas in zijn boek En de zee spleet in tweeën licht heeft willen werpen. Bij hem gaat het niet om het geloofsverhaal op zich, noch over de loutere oudheidsgeschiedenis van het Midden-Oosten, maar om de vraag hoe de bijbel als geloofsdocument binnen en vanuit die geschiedenis is ontstaan.

Met die vraag krijgt het raadsel van de bijbel er nog een dimensie bij. Het gaat niet alleen om de ‘echte’ geschiedenis, en evenmin om de vertelde verhalen, maar om de wijze waarop die verhalen in de historie tot stand zijn gekomen en vooral: wat die tekstgeschiedenis duidelijk maakt over de betekenis die die verhalen hebben gehad. Af en toe waagt Hulspas zich daarbij op wat ál te speculatieve wegen. Zo zou het uittochtverhaal gebaseerd zijn op de verdrijving van het veroveringsvolk van de Hyksos uit Egypte, waarbij de joden in werkelijkheid een nogal kwalijke rol gespeeld zouden hebben. Maar meestal weet zijn boek op overtuigende wijze duidelijk te maken dat het Bijbelse raadsel alleen te ontwarren valt wanneer de tekst- en ontstaansgeschiedenis ervan centraal wordt gesteld.

Helaas werkt de opbouw van zijn eigen boek niet erg aan die verduidelijking mee. Als de opzet ervan al ingewikkeld is, dan maakt Hulspas het boek nog véél ondoorzichtiger door de lezer te overdonderen met een onoverzienbare hoeveelheid teksten, bewijsplaatsen en terzijdes, waarachter de rode lijn al snel uit zicht raakt. Voor wélke lezer dit boek bedoeld is, blijft dan ook nogal schimmig. De geïnteresseerde leek loopt er snel in vast, de vakman zal geen genoegen nemen met de afwezigheid van wetenschappelijke verwijzingen, ondanks de vele honderden noten in het boek. Een goed toegankelijke geschiedenis van het bijbelboek moet daarmee nog geschreven worden. Ergens tussen Hulspas en Blokker in zou het raadsel ‘Verhaal of historie?’ opgelost moeten worden. Gedocumenteerd als de eerste, meeslepend als de laatste – het publiek is er al.

Jan Blokker, Jan Blokker jr. en Bas Blokker: Er was eens een God. Bijbelse geschiedenis. Contact, 272 blz. € 35,–

Marcel Hulspas: En de zee spleet in tweeën. De bronnen van de bijbel kritisch onderzocht. Fontaine, 384 blz. € 24,90