Darfur: de verzwegen genocide

Het probleem met de term genocide is niet dat die te gemakkelijk wordt gebruikt, zoals PvdA-leider Bos zei tijdens een persconferentie met Turkse media eerder deze maand. Het probleem is dat de term gratuit wordt gebruikt. Onder het internationale recht hebben landen namelijk de verplichting om op te treden tegen genocide. Het was daarom niet moeilijk voor ChristenUnie-voorman Rouvoet om in de Tweede Kamer unanieme steun te verwerven voor zijn motie inzake de Armeense genocide, die tussen 1915 en 1917 naar schatting aan bijna een miljoen Armeniërs het leven kostte. De motie werd door het kabinet-Balkenende verwelkomd.

Logisch. Tegen de Armeense genocide kon in december 2004 toch niets meer worden uitgericht. De motie-Rouvoet was een buitenkansje voor Kamerleden en kabinet om, vlak voor de kerstdagen en bijna tien jaar na de val van Srebrenica, moreel leiderschap te tonen.

Maar het is zeer de vraag of Kamer en kabinet net zo gretig waren geweest als het Armeense drama zich in het najaar van 2004 had voltrokken, en een stem voor de motie tevens de verplichting had ingehouden om op te treden. De praktijk wijst immers uit dat politici zich van allerhande uitvluchten bedienen als een genocide zich onder hun eigen ogen voltrekt.

Kijk naar Darfur, de regio in het westen van Soedan. Daar ligt het geschatte dodental als gevolg van de systematische moordpartijen door de Janjaweed milities, specifiek gericht tegen de zwarte bevolking, inmiddels op 400.000. Meer dan twee miljoen Soedanezen zijn op de vlucht. Plundering, verminking en verkrachting zijn er aan de orde van de dag.

Het is evident dat het geweld in Darfur zich langs etnische lijnen voltrekt en dat de Janjaweed opereren met steun van de regering in Khartoum. President Bush erkende twee jaar geleden al dat zich een volkerenmoord voltrok in Darfur. Afgelopen september voegde Bush eraan toe dat de Verenigde Naties zo nodig zonder instemming van de Soedanese regering zouden moeten ingrijpen om verder bloedvergieten in de regio te voorkomen.

Waarom heeft het Nederlandse parlement nog geen motie aangenomen die de genocide in Darfur veroordeelt? Als je in de elektronische databank van de Tweede Kamer de zoektermen ‘Armeense genocide’ invult, krijg je 44 zoekresultaten. Als je datzelfde doet met ‘genocide Darfur’, is er slechts één zoekresultaat. Dat is een verslag van een algemeen overleg in 2004 waarin alleen de vraag wordt opgeworpen of zich in Darfur een genocide voltrekt.

Hoezo wordt de term genocide te gemakkelijk gebruikt? Nicholas Kristof beschrijft in de New York Review of Books van 6 februari 2006 hoe tijdens de Tweede Wereldoorlog de wereld de andere kant op keek. Van de 24.000 voorpagina-artikelen die de New York Times aan de oorlog wijdde, maakten slechts zes melding van de uitmoording van joden. Tijdens de genocides in Rwanda, Cambodja en Bosnië stond het Westen er ook als verlamd bij. De reden om de moorden, verminkingen en verkrachtingen in Darfur niet als genocide aan te merken, althans niet in volkenrechtelijke zin, is volgens het Tweede Kamerlid Van Baalen (VVD) gelegen in het feit dat niet kan worden bewezen dat de regering in Karthoum de bedoeling heeft de zwarte bevolking uit te roeien. Dat bewijs is volgens Van Baalen wel geleverd voor de massamoord op de Armeniërs (met terugwerkende kracht weliswaar, omdat het begrip genocide pas tijdens en na het proces van Neurenberg is ontwikkeld). Niet alleen heeft de Ottomaanse minister van Binnenlandse Zaken Talat Pasja een van de gouverneurs in de Armeense provincies letterlijk geschreven dat geen Armeniër gespaard mocht blijven, ook geen vrouwen, ouden van dagen of kinderen. Ook zijn er verslagen van (Duitse) diplomaten in het Ottomaanse Rijk die genocide aannemelijk maken.

Het belangrijkste probleem met het volkenrechtelijke begrip genocide is dat de bewijsstukken meestal pas achteraf kunnen worden vergaard. Massamoord, verminking en verkrachting vallen als zodanig nog wel vast te stellen. Maar om te bewijzen dat het oogmerk van die gruweldaden de uitroeiing van een specifieke bevolkingsgroep is, moet je veelal documenten kunnen inzien en getuigen horen.

Wegens de hoge gevangenisstraffen die staan op het plegen van volkerenmoord, zullen genocideplegers er steeds meer op bedacht zijn geen bewijsmateriaal achter te laten. Wie een genocide kan aanrichten, mag ook in staat worden geacht de bureaucratische sporen daarvan uit te wissen. Voor de individuele slachtoffers in Darfur en hun nabestaanden maakt het misschien niet uit of ze het leven laten in een massamoord of dat ze doelwit waren van genocide. Maar dat onderscheid maakt, als het goed is, wel degelijk verschil voor het totale aantal slachtoffers. Artikel 1 van het Verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide uit 1948 schrijft de internationale gemeenschap namelijk dwingend voor genocide te voorkomen.

Het Genocideverdrag wijst niet uitsluitend moord als genocidale handeling aan, maar tevens het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel. Dus niet alleen de moordpartijen in Darfur tellen mee voor de vraag of sprake is van genocide, maar ook de verminkingen en de systematische verkrachting van Afrikaanse vrouwen door de strijders van Janjaweed.

Het is hemeltergend dat de internationale gemeenschap jarenlang passief toekijkt, terwijl de slachtpartijen in Darfur gewoon doorgaan. Alleen omdat het technisch bewijs niet geleverd zou zijn!

Om te voorkomen dat het Genocideverdrag uit 1948 een dode letter wordt, moet Nederland het opzetcriterium objectiveren. De Hoge Raad heeft dat reeds gedaan voor het Nederlandse strafrecht. In dat geval gaat het voor Darfur nog slechts om de vraag of de regering in Khartoum willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat – door haar steun aan de Janjaweed – de zwarte bevolking in Darfur geheel of gedeeltelijk wordt uitgeroeid. De Tweede Kamer kan nog voor het kerstreces een daartoe strekkende motie aannemen. Dat zou pas van moreel leiderschap getuigen.