Brouwers’ zelfinzicht

Jeroen Brouwers: In het midden van de reis door mijn leven. Oerboek. Atlas, 192 blz. €19,95

Het idee om de zogeheten ‘oerboeken’ uit te geven, onder redactie van Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich, is prijzenswaardig. Na het ‘oerboek’ van Hella Haasse verschijnt nu In het midden van de reis door mijn leven van Jeroen Brouwers. Publicatie van een boek waarin de schrijver alles al heeft geschreven, waaruit hij zijn creatieve leven blijft putten, biedt het beste inzicht in de writer at work.

Het oeuvre van Brouwers is terug te brengen op een cruciale periode. De schrijver verblijft in het Vlaamse Rijmenam waar hij in diepe crisis, volledig verdwaald in de reis van zijn leven, om met Dante te spreken, vier jaar onderdak vindt in een vervallen, steenkoud boshuis. Hier noteert Brouwers in verschillende aantekenboeken, onder meer een dag- en dromenboek, het gedachtenboek en het manuscript van In het midden van de reis, een veelheid aan invallen, aanzetten tot romans, scènes en herinneringen. Titels als Mijn Vlaamse jaren, Bezonken rood, Zonsopgangen boven zee en De Zondvloed grijpen op dit manuscript terug.

Bij een ‘oerboek’ stel je je iets megalomaans voor, zoals Kind tussen vier vrouwen van Vestdijk. Dat is bij Brouwers niet het geval. Naar omvang is het betrekkelijk bescheiden. Wat vooral naar voren komt is de techniek van de obsessionele herhaling met minimale maar niet minder dramatische verschuivingen die Brouwers hanteert. De zelfmoord van Brouwers’ minnares Anne Walravens en de jaren van ‘flower power’ keren telkens terug, net als de gevangenschap in de lift met Anne Walravens. De tekst is voorbeeldig geannoteerd.

Deze editie is royaal uitgegeven. Na een korte redactionele inleiding schrijft de Brouwers-van-nu uitvoerig over de jaren tussen 1972 en 1976 in het huis Krekelbos. Hier werkte hij aan Het Grote Boek, dat in die vorm nooit is verschenen. Brouwers tekst van destijds en van anno 2006, met een verschil van dertig jaar, valt op door een grote mate van zelfinzicht. Laat hij zich in de jaren van Krekelbos meesleuren door rampzalige verwikkelingen, nu blikt de auteur terug op die tijd met een verworven zelfinzicht. Nu staat er bijvoorbeeld: ‘Net als ikzelf zijn mijn personages eenzaam [...] en worden ze bezeten door angst, waarvan ze nooit vrij zijn en die hun doen en denken bepaalt. Ik heb het over angst.’

In het oerboek en in het onvolprezen De Exelse testamenten legt Brouwers getuigenis af van angst als een verstikkend besef dat hem op radeloos makende manier overvalt. Hiermee is alles begonnen, zoals deze passage uit 1978 zegt: „Dit is de plaats waar ik, zo lijkt het, geluwd ben, al is de angst voor het onuitspreekbare gebleven [...] Ik vind er niks aan, aan leven.”