Armoede daalt weer na jaren van stijging

De armoede in Nederland is dit jaar gedaald. Het percentage huishoudens dat van een laag inkomen moet rondkomen is met 9,7 procent lager dan in voorgaande jaren. Volgend jaar zal dat percentage naar verwachting verder dalen. In de drie jaar daarvoor steeg het aantal armen juist. Dat blijkt uit het Armoedebericht dat gisteren werd gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Sociaal en Cultureel Planbureau.

De publicatie speelt een belangrijke rol in de verkiezingscampagne. Een van de voornaamste verwijten die de linkse oppositie het kabinet-Balkenende maakt, is dat de armoede de afgelopen jaren is gestegen. Dat komt volgens PvdA, SP en GroenLinks niet door de economische recessie, maar door het kabinetsbeleid.

CDA-lijsttrekker Balkenende reageerde gisteren verheugd op de cijfers. Volgens hem blijkt hieruit dat het sociale beleid van zijn kabinetten, na een moeilijk begin, aantoonbaar vrucht afwerpt. Hij vindt dat de linkse partijen „te grote woorden” hebben gebruikt over de armoede.

De PvdA stelt dat uit de monitor blijkt dat onder de kabinetsperiode van Balkenende het aantal mensen dat in armoede leeft met 14 procent is gestegen tot 1,4 miljoen. Bovendien zou de armoede vooral onder minderjarige kinderen voorkomen. PvdA-leider Wouter Bos: „Armoede is echt de schandvlek van Nederland. Ik leg me daar niet bij neer, zoals dit kabinet wel heeft gedaan.”

Volgens de onderzoekers kwam de stijging van het percentage huishoudens met een laag inkomen tussen 2002 en 2005 „grotendeels door de verslechtering van de koopkracht in 2003 en 2005”, zo schreven zij vorig jaar in de Armoedemonitor. „De oplopende werkloosheid speelt een minder belangrijke rol.” Het kabinetsbeleid, waaronder de bevriezing van de uitkeringen, was dus meer een oorzaak van armoede dan de recessie.

Dit jaar en volgend jaar zal de koopkracht verbeteren, heeft het Centraal Planbureau (CPB) in september voorspeld. Een stijging van de lonen, de afschaffing van het gebruikersdeel van de onroerende zaakbelasting, de verhoging van de algemene heffingskorting, de kinderbijslag en de kinderopvangtoeslag zullen bijdragen tot die hogere koopkracht. Alleenstaande ouderen gaan er in koopkracht het meest op vooruit, onder meer door de invoering van de alleenstaande-ouderenkorting. Conclusie: het kabinet-Balkenende speelde een rol bij beide bewegingen: de stijging én de daling van de armoede.