Niet voor de mensen in het land

De rol van Europa in de campagnes blijft beperkt tot beleefde zaaldebatten. Te ingewikkeld, te saai, of zijn de partijpolitieke verschillen op dit gebied te klein voor een spannend debat? „Bij een volgend Europa-referendum wordt het waarschijnlijk weer nee.”

De Europa-bijeenkomst in het Amsterdamse advocatenkantoor Kennedy en Van der Laan kabbelt een half uur beleefd voort, totdat Frits Bolkestein (VVD) plots uitvaart tegen zijn debatpartner, minister Ben Bot (CDA). „Ik heb vijf jaar in het hol van de leeuw doorgebracht. Dus ik wéét waar ik over praat”, zegt de oud-Europees Commissaris.

Bot, die een lange diplomatieke carrière binnen de EU achter de rug heeft, antwoordt onmiddellijk: „Nou, ik heb 21 jaar in datzelfde hol doorgebracht, dus ik weet nog veel méér waar ik over praat.” De toehoorders, oud-studenten van de Amerikaanse Harvard-universiteit, veren op. Ha, ruzie in de tent. En dat nog wel over Europa, al is onduidelijk waar de confrontatie over gaat. Bolkestein probeert, blijkt later, duidelijk te maken hoezeer hij beseft dat het denken over Europa nog steeds wordt beheerst door naïeve federalisten en bemoeizuchtige bureaucraten. Bot realiseert zich dat te weinig, vindt de oud-VVD-leider.

Cees Maas, topman van de ING-bank, slaat als derde deelnemer aan het debat de clash tussen de twee heren geamuseerd gade. Leuk voor de avond, maar irrelevant voor de verkiezingscampagne, zegt hij. „Buiten deze muren durven politici niet de confrontatie aan te gaan over Europa”, aldus Maas. „Het is een gemiste kans om kiezers bij Europa te betrekken. Bij een volgend Europa-referendum, als dat er ooit komt, wordt het waarschijnlijk opnieuw nee.”

Plechtig beloofden politici elkaar vorig jaar Europa meer in hun dagelijks discours op te nemen. Het onverwacht harde ‘nee’ op 1 juni tegen het Europees Grondwettelijk Verdrag had immers bewezen dat een achterstand van dertig jaar non-debat over de Europese samenwerking niet zomaar kon worden goedgemaakt, zei de toenmalige staatssecretaris Nicolaï (Europese Zaken). Al snel daarna werd het echter stil. Het parlement blies een voorgenomen maatschappelijke discussie over Europa af. En in de verkiezingscampagne blijft Europa beperkt tot enkele zaaldebatten voor insiders, zoals Bot en Bolkestein.

Europa is te onbelangrijk en te complex voor het dagelijks leven van mensen om politiek mee te scoren, schreef Alfred Pijpers, Europa-expert van Instituut Clingendael, al in 1999 in een discussiestuk. Sindsdien mag de EU-invloed groter zijn geworden, zijn stelling lijkt nog steeds op te gaan. „Zelfs zoiets als de luchtkwaliteitsrichtlijn waarover de laatste jaren het nodige rumoer is geweest vanwege de ingrijpende gevolgen, is een ingewikkelde kwestie en speelt in de campagne geen enkele rol”, licht Pijpers desgevraagd toe. Ook de poging die minister Bot bij de bijeenkomst van Kennedy en van der Laan deed om de discussie over de Europese Grondwet nieuw leven in te blazen, heeft geen merkbare invloed op de campagne, constateert Pijpers. „Europa heeft een slecht imago, waar politici die willen scoren, liever bij uit de buurt blijven.”

Europa is voor veel mensen onderdeel van het buitenland, een terrein waar traditioneel de partijpolitieke verschillen klein zijn, aldus Pijpers. Een pleidooi, bijvoorbeeld, om het eigen land uit de EU te laten treden, zoals van sommige Britse conservatieven, komt hier niet voor, zelfs niet bij Geert Wilders. „Als morele toetssteen, waar we in Nederland dol op zijn, had het buitenlands beleid in vorige campagnes soms een functie – Bush, Israël, kruisraketten. Maar die rol kan de EU ook niet spelen. Wat is er nou moreel aan een chocolade-richtlijn?”

Dig Istha was jarenlang campagne-adviseur voor de PvdA en toenmalig premier Wim Kok. „Het grote publiek heeft weinig op met Europa”, constateert hij, „tenzij het om praktische zaken gaat, zoals met de Poolse bouwvakkers die hier banen in zouden pikken. Europa speelt niet en dat is eigenlijk maar goed ook. Je kunt zeggen dat wij als open en internationaal georiënteerd land gewoon erg gewend zijn aan Europa.” Vanuit het belang van de regeringspartijen geredeneerd, zou Istha meer aangeven wat Nederland inzake Europa heeft gepresteerd. „Dat doen ze over binnenlands beleid wel. En het moet gezegd, wat betreft de afdrachten aan de EU is er echt wat bereikt.”

Zowel Pijpers als Istha wijst op nog een ander probleem om Europa te politiseren. Controversiële EU-maatregelen zijn in een ver verleden door Nederland goedgekeurd en in de loop der tijd door wisselende parlementaire meerderheden besproken. „Dat maakt het moeilijk om verantwoordelijken aan te wijzen en het depolitiseert Europa verder”, aldus Pijpers.

Een voorbeeld hiervan leverde een verkiezingsavond in Schagen, eind vorige week over enkele Europese richtlijnen. De discussies tussen zo’n dertig VVD-leden en VVD-europarlementariër Jan Mulder en Tweede-Kamerlid Janmarc Lenards, gingen onder andere over de al veelbesproken Europese vogel- en habitatrichtlijn. Boeren in de buurt van gebieden waar deze natuurbeschermingswetten van kracht zijn, voelen zich vaak beperkt in hun mogelijkheden. Mulder vertelde dat Nederland bij de vertaling van deze regels in de Nederlandse wet „onnodig 40 procent extra regelgeving heeft ingevoerd” , waardoor de ‘overlast’ voor ondernemers extra groot is.

Daarop volgde uit de zaal de opmerking dat de VVD al twaalf jaar in de regering zit. „Hoe kan het dan dat Nederland die Europese wetgeving extra zwaar maakt?”, luidde de vraag. Op Mulders antwoord kreeg niemand vat. „In iedere democratie heb je nu eenmaal meerderheden met andere partijen nodig om zaken te bereiken.”

De zaal bleef stil. Na afloop van de discussie kreeg Mulder nogmaals de vraag voorgelegd waarom die extra zware milieuwetgeving is ingevoerd, terwijl de VVD en het CDA met zijn aanzienlijke agrarische achterban altijd stevig vertegenwoordigd waren in de Kamer. Mulder: „Ik denk dat die wetgeving door wisselende meerderheden in de Kamer tot stand is gekomen. De laatste twee tot drie jaar is het tij geweldig gekeerd, maar daarvoor heeft bij alle partijen een cultuur geheerst van; we moeten voor de muziek uitlopen, ook op milieugebied.”

Ook wat andere EU-richtlijnen betreft bleef de Nederlandse medeverantwoordelijkheid in Schagen onderbelicht. Zo zei VVD-Kamerlid Lenarts over de Kaderrichtlijn Water, die vanaf 2015 schoon oppervlaktewater moet garanderen: „Maar hoe dan ook, je zit als Nederland gewoon opgescheept met zo’n richtlijn en er zullen er nog voldoende volgen.” Ook voor de Kaderrichtlijn Water, die Nederland volgens Lenarts vele miljarden gaat kosten, geldt dat de Nederlandse regering er zelf mee heeft ingestemd. Dat was in 2000, toen de VVD met de PvdA en D66 de paarse coalitie vormde.