Jansons heeft zijn sound te pakken

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. Programma met werken van Dvorák en Stravinsky. Gehoord: 15/11 Concertgebouw, Amsterdam. Herh.: 16/11 (Sacre). Radio 4: 19/11, 14.15 uur.

Met Dvoráks Negende symfonie ‘Uit de nieuwe wereld’ onder leiding van Mariss Jansons opende in 2004 de cd-serie RCO-live, met door het Concertgebouworkest in eigen beheer uitgebrachte live-opnames van concerten. Gisteravond leidde Jansons, nu als chef-dirigent, de symfonie opnieuw, ditmaal in combinatie met Stravinsky’s Le sacre du printemps, die chef en orkest nog niet eerder samen uitvoerden. Jansons staat vanavond en morgen opnieuw voor het orkest, maar steeds in een andere, dakpansgewijs samengestelde programma’s. Vanavond is de Sacre gekoppeld aan Beethovens Achtste symfonie, morgen gaat die Achtste vooraf aan Mahlers Eerste symfonie. Zodat al die werken ingespeeld meekunnen op tournee naar Japan.

Op cd maakte Jansons in Dvoraks Negende indruk door het raffinement van de kleuren en de voortdurende spanningsstroom. Gisteravond leek zijn Negende iets minder gepolijst en iets feller getekend, maar net zo opvallend en indrukwekkend in de manier waarop onder één smerende batonbeweging de klank matenlang als elektrisch bleef gloeien. Nu al klinkt er een typische Jansons-sound in de passages die donker romantisch ronken, zonder dat die robuustheid ten koste gaat van ritmische fijnmazigheid.

Een vergelijkbare mix van discipline en tumult maakte begin dit jaar van Jansons’ blik op Sjostakovitsj’ Zevende symfonie een historische gebeurtenis. Aan die toen zo zenuwslopende mix van griezelige precisie en martiale overdaad deed Jansons aanpak van Le sacre du printemps denken. Fris, zoals Stravinsky bij Chailly kon klinken, had plaatsgemaakt voor compromisloos, met syncopische oerklappen waar strak en onmiddellijk fijne houtblazers achter opgloorden. De grootse, overkokende onstuimigheid in Le sacre du printemps verdreef zo de opruiende passages in Dvorák onverbiddelijk naar de achtergrond. Voor de luchtsprong waarmee Jansons de kolkende intensiteit van de Danse de la terre besloot, zou Nijinksi de neus niet hebben opgehaald. Maar Jansons liet er vooral mee horen dat heidens gebeuk, mysterieuze sensualiteit en ijzeren discipline niet met elkaar in tegenspraak zijn, maar in elkaars verlengde kunnen liggen.