Een naïeve hervormer

D66-oprichter Hans van Mierlo beschouwt zijn loopbaan niet als geslaagd.

In een documentaire kijkt hij terug op ‘een intermezzo’ van veertig jaar.

In het portret van Hans van Mierlo dat de VPRO vanavond uitzendt komen vele getuigen van het optreden van de oud-D66-politicus voorbij: van de voormalige politici Norbert Schmeltzer en Hans Dijkstal, de schrijvers Remco Campert en Rudy Kousbroek tot oude provo’s en voormalige collega-journalisten. Al deze passanten kleuren, met het archiefmateriaal, het leven en de loopbaan van Van Mierlo in. Hij zelf schetst de grote lijnen. Zo is een intrigerend beeld ontstaan van een leven voor een overtuiging tegen het decor van een veranderende tijd.

In de film leren we Van Mierlo kennen als een contemplatieve, Marsman en Nijhoff citerende melancholicus die alles behalve zelfgenoegzaam op zijn leven terugblikt. Op de vraag of hij is geslaagd als politicus, antwoordt hij: „Nee, dat kan je absoluut niet zeggen.” Het was nooit zijn bedoeling politicus te worden, vertelt hij, maar omdat mede-D66-oprichter Hans Gruijters ‘het vertikte’, nam hij maar de leiding van de nieuwe partij. De journalist van het Algemeen Handelsblad, die nog nooit een vergadering had geleid, dacht aan een intermezzo, waarna hij zich weer wilde wijden aan ‘leuke dingen’. Het werd een oponthoud van veertig jaar, constateert hij met enige verbazing: „Het was een soort vliegwiel dat je op gang brengt.”

De makers van Wat ik nog steeds te schrijven droom (naar het gedicht Het kind en ik van Martinus Nijhoff), Hans Fels en Edmond Hofland, gingen met Van Mierlo mee naar Zuid-Frankrijk, waar we hem zien wandelen en naar de Nederlandse tv kijken ten tijde van de uitslag van het Nederlandse referendum over de Europese grondwet. Sinds zijn jonge jaren voelt hij zich tot Frankrijk aangetrokken. Als hij in reïncarnatie zou geloven, vertelt Van Mierlo, wist hij zeker dat hij al eens eerder in deze ‘oerbouillon van de Westerse beschaving’ was geweest.

In Zuid-Frankrijk keert hij zich fel tegen de wijze waarop de Nederlandse burger over de Europese grondwet is gepolst: „Een carnavalsreferendum”, schimpt hij, kijkend naar politici die op tv de volksraadpleging prijzen. „Ik schaam me dood voor die taal die eruit komt.” En even later: „Eerst de mensen veertig jaar lang buiten alle belangrijke beslissingen laten en ze dan ineens in een paar weken om een oordeel vragen, dat is vernederend voor de kiezer”. De oud-politicus beschouwt met grote distantie het circus waarvan hij vroeger deel uitmaakte. „De politiek heeft zijn legitimiteit verloren”, stelt hij vast.

Volgens de leer van Van Mierlo is er voor de hiërarchisch en regentesk georganiseerde zuilenmaatschappij niets in de plaats gekomen waardoor de burger vertrouwen kan stellen in de overheid. Zijn zorg over de toekomst van de democratie sijpelt in de film voortdurend door. In feite is, betoogt hij in verschillende toonaarden, in een tijd dat alles veranderde, de inrichting van onze samenleving niet wezenlijk gewijzigd. Aandoenlijk is het met foto’s geïllustreerde relaas van zijn eerste ontmoeting met Joop den Uyl, beiden folderend op de Amsterdamse Albert Cuypmarkt. In een koffiehuis praatte Van Mierlo zijn PvdA-collega bij over de noodzakelijke veranderingen: „Zo’n kans krijg je maar eens in de twintig jaar.”

„D66 is eigenlijk veertig jaar te vroeg opgericht”, blikt Van Mierlo gedesillusioneerd terug. Maar nu zou zo’n initiatief op aanzienlijk minder enthousiasme kunnen rekenen: „Niemand gelooft meer dat een politieke partij iets beter kan maken.” Hij constateert in de huidige samenleving een gelatenheid ten opzichte van de democratie. „Het geloof in de politiek is weg. Dus is er een herziening van het politieke stelsel nodig. Een systeem dat niet meer werkt is als een vogel voor de poes.”

Van Mierlo neemt met betrekking tot zichzelf het woord ‘naïef’ in de mond, terugkijkend op de ‘kroonjuwelen’ van zijn partij die het vrijwel allemaal niet hebben gehaald. En evenmin is er een einde gekomen aan „de ontoereikendheid, de verstarring, het gezeur en het geharrewar in regering en Tweede Kamer” waartegen van Mierlo zich in zijn eerste nouvelle vague-achtige tv-spotje zo viriel verzette.

Wat ik nog steeds te schrijven droom, VPRO, Ned. 2, 23.10-00.26u.