Een boek moet een vriend zijn, een ‘mate’

Gautam Malkani schreef een veelbesproken debuut.

Vanavond leest hij voor op Crossing Border in Den Haag.

Doorschijnend ziet hij eruit, auteur Gautam Malkani (Londen, 1976). Dat komt: hij leidt een dubbelleven. Sinds de verschijning van zijn debuutroman Londonstani heeft hij een contract bij de Financial Times. Maar „je weet hoe dat gaat in de journalistiek: gisteravond zat ik tot half elf op kantoor. Ik heb in de tijd dat ik aan Londonstani werkte veel scoops gemist. Op de krant wist niemand dat ik met een boek bezig was. Ik wist zelf niet eens of ik er wel een uitgever voor zou vinden”.

Achteraf klinkt dat bijna koket: Malkani kreeg van het Britse Fourth Estate een royaal voorschot voor Londonstani en een volgende roman waarvan de contouren nu alleen nog in zijn hoofd bestaan. (Malkani zwijgt over het precieze bedrag, maar noemt de 300.000 pond waar de pers gewag van maakte „overdreven”). Op de Frankfurter Buchmesse in 2005 zorgde zijn toen nog ongepubliceerde debuut voor zo’n buzz dat de rechten voor ongekend hoge bedragen werden verkocht; Rothschild & Bach hoestte zo’n 50.000 euro op voor de Nederlandse vertaalrechten.

De pitch van Londonstani: debutant van Brits-Aziatische afkomst beschrijft in echte straattaal het leven van vier jongens uit Hounslow, een grauwe buitenwijk in West-Londen. Jongeren, kleine criminaliteit, racisme, seksisme: de thema’s deden ook uitgevers in onder meer de VS, Canada en India bij voorbaat watertanden.

Toen Londonstani uitkwam, werd de hype deels ontkracht door de literaire kritiek, die bepaald niet altijd lovend was. Dat verbaasde Malkani niet, zegt hij. Hij had zijn boek opzettelijk volgestopt met „anti-literaire dingen”. Maar op één kritiekpunt was hij niet voorbereid: Londonstani zou niet authentiek zijn. Malkani, nog steeds geïrriteerd: „Dat is een oneigenlijke aanklacht, die voortkomt uit het idee dat elk boek van een Aziatische schrijver de hele gemeenschap moet vertegenwoordigen. Onzin. Ik beschrijf een deel ervan, een bepaald fenomeen, waar ik toevallig zelf uit voortkom en waarnaar ik degelijk onderzoek heb gedaan. Hounslow is geen getto, dat heb ik nooit beweerd. Mijn hoofdpersonen leven in een pretend-ghetto, dat ze met hun kleding en hun taaltje in stand houden.”

Wat is hun drijfveer om zich als hiphoppers voor te doen?

„De hiphop-cultuur biedt ze iets wat de Indiase niet heeft: onversneden, pure viriliteit. In mijn boek hebben de moeders het thuis voor het zeggen. De jongens hebben geen echte band met hun vader. Het ontbreekt ze aan een mannelijk rolmodel, en dus halen ze dat van de straat en van MTV, en jutten ze elkaar op. Er zit geen grens aan hoe macho ze kunnen worden.”

Vindt u dat gevaarlijk? Uw vier hoofdpersonen ontsporen erdoor.

„Tien jaar geleden maakte ik me zorgen. Mijn vrienden op de universiteit werden totally hardcore Indians, en ik viel erbuiten – omdat ik niet naar hiphop luisterde, maar naar Indiase muziek! Ze werden zo radicaal dat ze zich van de maatschappij af dreigden te keren. Ik wilde journalist worden, en moest me aanpassen. Nu gaat het beter. Er is een Indiase subcultuur ontstaan, waar je je niet voor hoeft te schamen en die je niet weg hoeft te stoppen om te slagen. In de muziek en de sport zijn er Brits-Indiase rolmodellen. En we komen de Londense nachtclubs in – dat kon je vroeger wel vergeten. ‘Subcultuur’ is een veel positiever begrip dan ‘etniciteit’: een subcultuur is poreus, beweeglijk, staat in contact met zijn omgeving. ”

De basis voor ‘Londonstani’ legde u aan de universiteit, aan het slot van een studie sociale wetenschappen. Hoe werd dat onderzoek een roman?

„Ik wilde een proefschrift schrijven over de rudeboys (stoere jongens) en de coconuts (watjes, softies) van Hounslow. Daarvoor heb ik uitgebreid veldwerk gedaan, tientallen interviews gehouden, maar het proefschrift heb ik nooit afgemaakt. Na vier jaar bedacht ik dat liever een roman wilde schrijven, waar de jongeren zelf iets aan zouden vinden.”

En is u dat gelukt? Lezen ze uw boek?

„Ik geloof het, ja. Ik lees nu veel voor op scholen en universiteiten en daar ontstaan heel levendige discussies, leuker en onbevangener dan je in het literaire circuit ooit meemaakt. En ik heb zelfs mijn neefjes weleens betrapt terwijl ze voor hun Playstation verdiept waren in míjn boek. Cool, hè? Ik hou zelf van boeken die je vriend zijn. Geen ‘venster op de wereld’, of een leraar, maar een mate. Toen ik dat laatst tegen een zaal vol leerlingen zei, dacht ik dat ze me af zouden maken, het klinkt zo soft. Maar ze begrepen het.”

Gautam Malkani treedt vanavond op in Crossing Border: www.crossingborder.nl of 10563 naar 7585