Bots basisfilosofie

In het laatste nummer van de Internationale Spectator – een jubileumnummer, omdat dit maandblad dit jaar zijn zestigste verjaardag viert – schrijft hoofdredacteurJ. W. de Zwaan: „Opmerkelijk is dat in de campagne op weg naar de verkiezingen nauwelijks of geen aandacht wordt besteed aan buitenlands beleid.”

Is dat zo opmerkelijk? Is dat ooit anders geweest? Hebben Nederlandse kiezers ooit in electoraal relevante aantallen hun stem laten bepalen door kwesties van buitenlands beleid? Ja, de Indonesische kwestie heeft in de eerste naoorlogse jaren de politiek overheerst, maar kabinet en partijen zagen haar – ten onrechte overigens – niet als een buitenlandse maar als een binnenlandse kwestie.

Misschien kunnen we de tuimeling die de communistische partij tussen 1946 en 1959 maakte – van 10,6 naar 2,4 (en in 1977 1,7) procent der stemmen – zien als bewijs van groeiende afkeer jegens het beleid van de Sovjet-Unie, maar het is nog zeer de vraag of niet juist binnenlandse factoren – groeiende welvaart, stijgende sociale zekerheid – dit verval hebben veroorzaakt.

Dan heeft eerder de groeiende angst voor oorlog in de jaren ’60, ’70 en ’80 invloed gehad op het beleid van bepaalde partijen en, indirect, op dat van het kabinet. Denk aan de crisis over de kruisraketten en de uitzonderingspositie die de kabinetten-Van Agt en -Lubbers, als gevolg daarvan, in de NAVO moesten innemen.

De Zwaan betreurt dit gebrek aan aandacht voor het buitenlands beleid in het bijzonder waar het de Europese integratie betreft, maar ook die heeft zich, zoalsE.P. Wellenstein in hetzelfde nummer van de IS schrijft, „al jaren in de marge van de vaderlandse politiek” afgespeeld. Het was pas toen de burger direct, bij het referendum van juni 2005, gevraagd werd zich erover uit te spreken dat hij zijn stem liet horen. Die stem werd toen, tot verrassing van vrijwel de hele politieke klasse, een tegenstem; maar het is de vraag in hoeverre die tegenstem bepaald is geweest door tegenzin jegens de Europese integratie en in hoeverre door onbehagen over de algemene politiek van het kabinet of, sterker nog, over het politieke bestel van eigen land – een onbehagen dat zich een paar jaar eerder had geuit in de pijlsnelle opkomst van Pim Fortuyn en zijn erfgenamen.

Zolang de burger niet gevraagd wordt zich direct uit te spreken over zaken van buitenlands beleid, blijft dit verborgen in plichtmatige passages van partij- en verkiezingsprogramma’s. Daarbij komt dat de oppositionele partijen – zelfs de SP – te weinig bezwaren hebben tegen het buitenlandse beleid van het kabinet-Balkenende om er een vote-catching punt van te maken. Zo blijft het bij gemopper in de marge.

Nu heeft minister van Buitenlandse Zaken Bot ook een artikel in dit nummer van de IS geschreven, en daarin zou deoppositie, als zij daar brood in zou zien, wél haar tanden kunnen zetten. In dit artikel zet minister Bot immers de ‘basisfilosofie’ van zijn buitenlands beleid uiteen. Hij noemt die filosofie „realistisch multilateralisme”. Nu, het woord ‘realistisch’ is al genoeg om alle idealisten op stang te jagen.

Kort gezegd, gaat Bot ervan uit dat Nederland „als open handelsland een groot belang heeft bij een internationale orde”, maar te maken heeft met „de afnemende dynamiek en handelingsvrijheid van de VN, de NAVO en de Europese Unie”. Immers, het is onmiskenbaar dat „grotere lidstaten nauwer zijn gaan samenwerken buiten de kleinere om”. Zo zijn de Verenigde Staten sceptisch over nut en noodzaak van multilaterale samenwerking in VN of NAVO en zoeken ze het eerder bij ‘coalities van de willenden’. In Europa achten vooral de drie grootste lidstaten samenwerking – niet via Brussel, maar met elkaar – een betere methode dan verdere soevereiniteitsoverdracht aan Brussel. Dat dwingt als ’t ware de overige lidstaten, waaronder Nederland, „zelf ook vast te houden aan de nationale stem”.

In dit licht is het „onwaarschijnlijk dat de Europese rangen zich snel zullen sluiten en er metterdaad sprake zal zijn van één enkele, krachtig klinkende Europese stem op het wereldtoneel”. Dit zo zijnde, is er voor een land als Nederland „eigenlijk geen andere keuze dan hetbenadrukken van de nationale soevereiniteit en het mobiliseren van de eigen machtsmiddelen”.

Ergo: „de uitdaging (voor Nederland)is twee dingen tegelijk na te streven: zowel vergroting van het eigen internationale marktaandeel als versterking van de internationale rechtsorde.” Het is een weinig bevlogen filosofie, maar het is aan tegenstanders te bewijzen dat, gegevende algemene onwil macht uit handen te geven – en van de zegevierende Democraten in de VS mogen we ook niet al te veel verwachten – een alternatief meer kansop succes zal hebben. Ook een uitdaging voor de oppositionele partijen dus, maar tot dusver zijn ze er niet in geslaagd dat bewijs te leveren.

Degenen die dit een troosteloos uitzicht vinden, biedt Bot één straaltje hoop: „Voor Nederland ligt een aanvullende mogelijkheid wellicht besloten in verdere versterking van de politieke Beneluxsamenwerking.” Wellicht, maar in een ander artikel in dit nummer helpt de Gentse hoogleraar R. Coolsaet ons op effectieve wijze ook uit die droom.