Bosbrand

Alsof het nog niet beroerd genoeg met hem ging, moest Wouter Bos gisteravond ook nog onder het juk van de voetbalsport door. Terwijl Paul Rosenmöller op Nederland 2 voor 382.000 kijkers een sympathiek portret van Bos in Engeland schetste, inclusief een bezoekje aan Tony Blair, zaten 2.791.000 mensen bij SBS naar de waardeloze wedstrijd Nederland – Engeland te koekeloeren.

Seedorf versloeg Bos.

Zo zie je maar weer: pech genereert pech.

Dat nam niet weg dat mijn vrouw, PvdA-lid door dik en dun, uiterst opgetogen was over dat tv-portret van haar held. „Wat je ook van hem mag zeggen, het is een aardige, fatsoenlijke man”, zei ze, toen we uitgekeken waren.

„Het was natuurlijk ook wel de bedoeling dat hij zo overkwam”, zei ik.

Dat had ik nou niet moeten zeggen. Je kunt als beroepsscepticus, wat elke columnist in wezen is, ook je hand overspelen, en zeker als je getrouwd bent met een PvdA-lid-door-dik-en-dun.

„Ga zelf maar even koffie zetten”, zei mijn vrouw.

Dat was nog maar het begin. Toen ik met het volle dienblad terugkwam, had ze alle argumenten verzameld om me vanuit een hinderlaag te overvallen.

„Ik begin er genoeg van te krijgen”, zei ze. „Van die Bos bashing.”

„Bos bessen?”

„Je weet heel goed wat ik bedoel. Dat voortdurende afzeiken van Bos waar jullie columnisten zo goed in zijn. Vroeger pakten jullie allemaal Balkenende, nu is Bos de pineut. Hij kan opeens geen goed meer doen. Hij draait, hij twijfelt, hij slijmt.”

„Je had toch zelf ook kritiek op hem?” Ik liet het dienblad bijna uit mijn handen vallen.

„Maar toen was het nog geen mode geworden. Nu doet iedereen eraan mee. Jullie praten elkaar allemaal na, de rechtse politici, de rechtse media, de grachtengordelelite, de intellectuelen, de linkse columnisten en al die andere linkse zelfhaters: Bos deugt niet!”

„Wij zetten onze kanttekeningen. Dat is ons vak.”

„Zet dan ook eens wat meer kanttekeningen bij Balkenende, die als een halvegare zit te tutten in allerlei stomme tv-programma’s. Bij Verhagen, met zijn roomse gegluip, bij…”

„Hoho! Dat is geen taal die past bij de vrouw van een NRC-redacteur. Dat kan ik niet afdrukken.”

„Dan druk je het maar niet af.”

Ze was nu niet meer te houden. Daar ging Rutte: „Een slapjanus die tegen geen enkele interviewer durft te zeggen: mijn liefdesleven gaat jullie geen donder aan.” Daar ging Rouvoet: „Een bekrompen gristen die jou als dement oudje op je doodsbed zal laten creperen.” Daar ging Pastors: „Een akelig xenofoobje met een vader Pim-complex.” Daar ging ook Halsema: „Té overtuigd van zichzelf.” En daar ging zelfs Marijnissen: „Een zelfvoldane, autoritaire man die ook ’s minister wil worden.”

„We hebben nu wel iedereen gehad”, zei ik droogjes, „behalve Pechtold.”

„Geen kwaad woord over Pechtold. Dat is de enige die Verdonk, Wilders en Pastors aanpakt.”

Na deze politieke bosbrand in huize Abrahams restten er alleen nog as en sintels. En Wouter Bos natuurlijk. „Ik zie zijn fouten heus wel”, zei mijn vrouw, wat zachter nu, „maar noem me een beter alternatief.”

Toen zwegen we een poosje.