Bakkersleed

Mijn bakker zit in de nesten. Vastgesmeed aan een poot van het wijnprieel, vlak achter de poort, hangt een ijzeren bak en die bak is mijn band met de bakker. Iedere morgen om zeven uur legt de bakker een brood in de bak. Een paar jaar achtereen zijn het hartvormige broden geweest, daarna een tijdlang stervormige broden, op het ogenblik gaat zijn voorkeur uit naar een soort gemoedelijke baguette, niet al te dun en niet al te lang. De dikkerdjes onder de stokbroden. Ik heb een veelzijdige bakker.

Om zeven uur ligt het brood in de bak. Niet om vijf voor zeven, niet om vijf over zeven, om zeven uur. Je kunt er de klok op gelijk zetten. Dat doe ik ook wel eens, als ik ’s zomers vroeg in de tuin rondstap. Mijn horloge is van de KLM – airmiles – en daar bewegen ze niet graag uit zichzelf. Bovendien wil je dat de dag in elk geval ordelijk begint.

De bakkerswagen stopt, de achterklep gaat omhoog, het brood wordt gepakt, de poort wordt geopend, het deksel wordt van de bak getild en precies om zeven uur daalt het brood neer. Soms pak ik het brood rechtstreeks aan van de bediende. Het horloge kan wachten.

Als ik met het brood in de keuken aankom ben ik witbestoven. De geur van brood in de vroege ochtend, dichter komt iemand niet bij God. Ik ben maar om de zoveel weken vroeg op, dus ik blijf buiten de gevarenzone.

De bakker zelf zetelt in het dorp beneden, aan de rivier de Alva. Niet geheel ongepast heet zijn bakkerij ‘De Oven van de Alva’. Ik zie de man wel eens, een driftig type met roodaangelopen gezicht. Eerder een slager dan een bakker. Toch geniet zijn ‘De Oven van de Alva’ grote faam. Hij levert tot ver buiten de dorpsgrenzen. Hij levert aan het Grote Hotel. Hij bakt kabouterbroden en reuzenbroden. Hij heeft veel prijzen in de wacht gesleept. Afbeeldingen van medailles sieren de zijkant van zijn bestelwagen.

Op ochtenden dat God de gelegenheid waarneemt, maak ik wel eens een praatje met de bakkersbediende. Zo hoorde ik voor het eerst van de nesten waarin mijn bakker zit.

Achter de rug van de bakkersbediende zie ik een vrouw over de weg lopen. Ze draagt een bos halfverlepte bloemen. Iedere ochtend wandelt ze naar het kerkhof om de bos, door haar zelf geplukt, op het graf van haar kind te leggen. Een doodgeboren kind was het. Ze heeft het al veertig jaar geleden begraven.

De bakkersbediende steekt zijn verhaal af. Terwijl ik de vrouw blijf nakijken luister ik. Het gaat beroerd in het dorp aan de Alva. Zijn baas raakt steeds meer klanten kwijt. In een snel tempo lopen ze weg. Hoe prachtig hij ook bakt, ze weigeren nog langer bij hem te kopen. Zijn broden zijn behekst, beweren de dorpelingen.

Gisteren is de bakker naar de rechter gestapt. Hij heeft al zijn ex-klanten aangeklaagd. Hij eist schadevergoeding voor gederfde inkomsten.

Ik druk het brood steviger tegen me aan.