Verloskundige is integer genoeg

Verloskundigen zouden om financiële redenen niet naar de specialist doorverwijzen.

Onzin! Daarvoor hebben we te veel hart voor het vak.

Bij een verloskundige gaat er meteen een alarmbelletje rinkelen als het woord ‘stuit’ voorbijkomt. Daarom trok het commentaar getiteld ‘Stuitende subsidie’ (nrc.next, 8 november) direct mijn aandacht.

In het commentaar wordt gereageerd op het feit dat de zorgverzekeraars extra subsidie willen geven aan de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV) wanneer verloskundigen minder gaan doorverwijzen naar de specialist. Daarna volgt een beschouwing over het verwijsbeleid van verloskundigen bij stuitliggingen. De suggestie wordt gewekt dat verloskundigen bereid zouden zijn in het geval van stuitligging onverantwoorde risico’s te nemen ten behoeve van meer subsidie.

Die suggestie is onjuist en een enorme simplificering van de werkelijkheid. Er is inderdaad discussie over de vraag of het veranderen van een stuitligging in een hoofdligging door middel van een zogenoemde uitwendige versie door verloskundigen en gynaecologen toegepast zou moeten worden.

Maar het al dan niet door verwijzen naar specialisten in dergelijke gevallen staat niet ter discussie. Niet één van mijn collega’s zal ervoor kiezen om bij een stuitligging thuis aan een vaginale baring mee te werken. Als een uitwendige versie uitgevoerd door de gynaecoloog succes heeft, wordt de patiente wél terugverwezen naar haar ‘eigen’ verloskundige en kan ze alsnog thuis bevallen als ze dat wil.

Dat zorgverzekeraars een deal willen sluiten om medicalisering terug te dringen heeft misschien meer te maken met kosten dan met kwaliteit.

Maar die twee hoeven elkaar niet uit te sluiten. Verloskundigen zijn het er unaniem over eens dat intensieve begeleiding van de barende een positief effect heeft op de duur van de bevalling en de behoefte aan medicinale pijnbestrijding. Op die manier wordt de kwaliteit van de dienstverlening verhoogd en zullen er kosten worden bespaard omdat minder mensen worden doorverwezen.

De vraag is dus: wie moet deze begeleiding geven en wie gaat het betalen?

De zorgverzekeraars zullen pas hun portemonnee trekken als bewezen wordt dat intensieve begeleiding het aantal verwijzingen inderdaad sterk doet dalen. Dat bewijs zal niet eenvoudig te leveren zijn. De ervaring leert dat goede kwaliteit van verloskundige zorg, met tevreden cliënten als gevolg, om een flinke tijdsinvestering vraagt.

Maar verloskundigen hebben absoluut hart voor het vak en doen hun werk met liefde. Vanwaar anders de bereidheid om bij nacht en ontij het warme bed te verlaten om een barende vrouw bij te staan? Natuurlijk moet ook bij ons brood op de plank komen, maar dat is niet het belangrijkste.

Alleen de toekomst kan uitwijzen wát precies wordt bedoeld met ‘kwaliteitszorg’ en wat het mag kosten.

Arja Roozemond is klinisch verloskundige, woonachtig in Oosterhout.

De Praktijk is een rubriek over een actuele kwestie met een persoonlijke invalshoek. Bijdragen kunt u sturen naar: opinext@nrc.nl

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel Verloskundige is integer genoeg (15 november, pagina 19) staat dat er discussie is over de vraag of het veranderen van een stuitligging door uitwendige versie door verloskundigen en gynaecologen toegepast zou moeten worden. Daar had moeten staan: door verloskundigen of gynaecologen toepast zou moeten worden. De vraag is niet óf de versie moet worden toegepast maar door wíé.